Parasha van de Week

In de regel publiceren wij op deze site een commentaar op de wekelijkse voorlezing uit de Tora in de synagoge, de sidra of parasja.

In het Joodse jaar 5780 willen we echter commentaren wijden aan de haftarot (enkelvoud ’haftara’) die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing.

De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi’iem, de Profeten, het tweede deel van Tanach.

De haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die aan de sidra (of parasja) Wajetsee is toegevoegd deze week is Hosea 11:7-13:5

Hosea 11:7-13:5

Een existentiële doorleving

van het verraad van Israël

door Rob Cassuto

Een korte historische aanloop naar de profeet Hosea (Hosjea), waaruit de haftara bij de parasja Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) afkomstig is (1).

In de loop van de 8ste eeuw BCE stond een nieuw type profeet op onder de Israëlieten. Al sinds oudsher waren er profeten – nevi’iem, meervoud van navi -  actief, te beginnen bij de eerste en grootste onder hen Mozes (Mosjee), die zijn profetische activiteit verenigde met politiek leiderschap. Hij stichtte een verlichte theocratie, zou je kunnen zeggen. 

Met hem is nog enigszins vergelijkbaar de profeet Samuel (Sjemoeël), die bij tijden als profeet ook staatkundig actief was. Maar juist hij stelde op uitdrukkelijke aandrang van het volk een koning (Saul) aan en initieerde zo een scheiding tussen de morele bewaking van de erfenis van Mozes en het politieke bestuur van de koning en zijn dienaren. In de tijd van Samuel en daarna waren er nog vele andere profeten. Je zou het een beroep kunnen noemen.

Ik stel me voor, dat het een soort sjamanen waren, die naast religieuze begeestering ook voorspellingen deden, zieken behandelden en andere adviezen gaven inzake lot en leven. Ze worden in Tenach vaak genoemd als mannen (geen vrouwen) ‘over wie de geest (roeach) Gods kwam’.  Zie bv Samuel 1:10:10.

Een aantal waren adviseurs van de koning (bv Nathan, die het geweten van David was). Ook koning Achab (Achav, van het noordelijke rijk, 9e eeuw BCE) had honderden profeten. Die stonden echter in dienst van de godheid Ba’al; zij moesten op de berg Karmel het onderspit delven tegen de God van de profeet Elia. Elia was als het ware een gedreven hervormer, die met kracht opkwam voor de zuiverheid van de leer van de Ene god en het ambt van profeet wilde ontdoen van alle magische en afgodische smetten die eraan kleefden.

Hij en zijn opvolger Elisa (Elisja) hadden vele volgelingen die in kleine groepen het land doortrokken of samenwoonden in gemeenschappen. Toch kwam er in de loop van de tijd de klad in hun gilde; de meeste profeten spraken de mensen en de politieke leiders naar de mond. Afgodendienst aan Ba’al, Moloch en andere afgoden, moord, corruptie en seksuele losbandigheid woekerden in de inmiddels in het tweeën gedeelde land, het koninkrijk Juda in het zuiden en het koninkrijk Israël in het noorden. De ware leer van Mozes over de eenheid van God en de in zijn naam gegeven geboden van rechtvaardigheid en mededogen raakte vergeten.

Er stonden nu mannen op, die de misstanden aan de kaak stelden, een nieuw soort profeten, Amos, Hosea, Micha en Jesaja. Wat was het nieuwe aan hen? Het waren mannen uit alle standen. Amos was veehouder. Hosea was boer, Jesaja was een hoveling. Ze waren eenlingen met ieder zijn eigen roeping en onderscheidden zich uitdrukkelijk van de ‘professionele’ profeten. Ze liepen vaak risico om vervolgd te worden om hun brisante uitspraken en onverschrokken politieke prognoses. Ze waren de klokkenluiders van hun tijd in een verslechterd klimaat van maatschappelijk en moreel verval. (2)
En niet onbelangrijk, ze hebben als eersten hun profetieën opgeschreven of laten opschrijven, zodat wij ze nog kunnen lezen. Zo stijgen hun geschriften uit boven de contingente historische omstandigheden, waartegen ze ageerden.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israël belaagden, het rijk dat hij in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE waren er voortdurend invallen en werden er grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken.

Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt. Hij stoelt zijn oratie over de toestand in het land op het beeld van de echtgenoot (de Eeuwige) en diens overspelige echtgenoot (Israël), die haar man in de steek laat en haar toevlucht zoekt in overspel en hoererij.

Zijn eigen huwelijk met zijn overspelige vrouw Gomer ervaart hij als een hem door de Eeuwige opgelegde existentiële doorleving van het verraad van Israël. Hij vertaalt als het ware zijn eigen ongelukkige situatie om Israël aan te klagen en haar te herinneren aan de opdracht om alleen de Ene te dienen ( in 6:6: Want Ik vind vreugde in goedertierenheid (chesed) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!).  In heftige beelden stelt hij de teloorgang van de oorspronkelijke boodschap en het moreel verval aan de kaak, wat zich onder meer uit in de dienst aan Ba’al en tempelprostitutie. (3)

Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In zijn poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israëls kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal ​Jakob​ vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5Hij streed met de ​Engel​ en overwon;
wenend vroeg hij Hem om ​genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht (chesed we-misjpat),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld: Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.
De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst 12 nog wordt benadrukt:

12 13 Jakob​ vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël​ diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij vee
14Door een ​profeet​ heeft de Eeuwige Israël echter uit ​Egypte​ geleid
en door een ​profeet​ werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mozes bedoeld en Hosea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidden, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (als ik). Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het dan mogelijke welzijn in even bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

noten
(1)Verschillende commentaren op Wajetsee  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website
(2) Misschien mag je Johannes de doper en Jezus ook in deze traditie zien
(3) Martin Buber stelt, dat het niet zozeer om nieuwe afgoden ging, maar meer om wat hij de baälisering van de God van Israël noemt. JHWH verviel van een metaseksuele God naar de gemaal van een moedergodin en van de rechtvaardigheid eisende God naar de gruwelijke mensenoffers eisende koningsgod. In plaats van hem als God van chesed (compassie) te kennen verafgoodt men hem en vertroebelt zijn dienst met heiligverklaarde ontucht (Martin Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1972, pp 138, 139, iets geparafraseerd)

RC dec 2019

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.