Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Wa-etchanan

Waarom mag Mosjee het beloofde

land niet betreden? 

door Rob Cassuto 

Devariem/Deuteronomium 3:23 - 7:11

De parasha Wa-etchanan balt met dramatische woorden een aantal essentiële elementen van Israëls opdracht samen, in de vorm van een toespraak van Mosjee, mogelijk in een aantal zittingen gehouden voor het volk, dat immers uit een tweede generatie bestond, die nooit aan de voet van de Sinaj had gestaan. Die eerste culmineerde in de herhaling van de Tien Uitspraken (Geboden, Deut/Dev) en ging gepaard met herhaaldelijke  waarschuwingen tegen afgodendienst. (1)

Maar voordat Mosjee de cathedra van het leraarschap besteeg, krijgen we eerst een blik op een heel menselijk gebeuren voorgeschoteld: Mosjee wil zo graag de Jordaan oversteken en het beloofde land betreden. Hij smeekt de Eeuwige hem dat toe te staan. Maar hij mag niet. Aan zijn gebed wordt geen gehoor gegeven, zo deelt hij het volk mee. Deut/Dev 3:26: ‘Maar de Eeuwige was boos op mij, vanwege jullie (lema’anchem), en Hij luisterde niet naar mij. En de Eeuwige zei tegen mij: Laat het u genoeg zijn; spreek niet meer tot Mij over deze zaak.’ In Dev 4:21,22 herhaalt Mosjee het nog eens: ‘de Eeuwige is vanwege jullie boos op mij geworden’.

Boos vanwege jullie? Schuift Mosjee nu de schuld van Gods strenge sanctie in de schoenen van het volk? Is immers niet de standaardverklaring, dat Mosjee deze straf te danken had aan zijn arrogante en onheilige optreden bij het slaan op de rots bij Meriva (Bam/Num 20)?

We moeten voor een bevredigende verklaring verder kijken en bladeren terug naar Deut/Dev 1:34-37, waar Mosjee het mismoedige verslag van de verkenners en de daaropvolgende rebellie van de Israëlieten memoreert. Het volk werd veroordeeld tot een zwerftocht van zo’n veertig jaar; niemand behalve Kalev en Jehosjoea zouden het beloofde land mogen betreden, ook Mosjee niet, want ook toen, naar aanleiding van de jammerlijke uitslag van de verkennerstocht, zo vernemen we nu van Mosjee (1:37), was de Eeuwige al ‘boos op mij, vanwege u, en Hij zei: Ook u zult er niet in komen.’  Omdat het gebeuren rond de verkenners achtendertig jaar eerder plaats vond dan de terugblikkende herinneringen hier in Devariem, moet Mosjee dus achtendertig jaar terug al hebben geweten, dat hij het beloofde land niet zou binnengaan. Hoewel hij geen schuld had, gaf hij niet zozeer de schuld aan het volk, maar aanvaardde hij eerder door het delen van hun lot de politieke medeverantwoordelijkheid voor het feit, dat het volk moreel en psychisch nog lang niet klaar was en het de spirituele kwaliteiten miste om bewoners van het heilige land te zijn.(2)

Waarom dan toch nu pas, achtendertig jaar later, deze smeekbeden om toch - al is het maar even - de Jordaan over te mogen gaan om voet op het beloofde land te mogen zetten? Smeekbeden, die als we de vele midrasjiem mogen geloven, intens en langdurig zijn geweest.(3) Dat hij er zo lang mee gewacht heeft zou kunnen samenhangen met een stille hoop in de bejaarde leidsman. Na veertig jaar zou een nieuwe generatie misschien wel rijp zijn geworden om het beloofde land te bewonen; dan zou het vonnis over Mosjee wellicht kunnen worden herzien. Maar tijdens de recente rebellie bij het water van Meriwa (parasja Choekat) toen ook die nieuwe generatie weer dezelfde jammerklachten als de vorige generatie aanhieven en ook weer terug naar Egypte wilden, is Mosjee’s hoop op herroeping van zijn aanstaande sterfdatum definitief de bodem ingeslagen. Het is dan te begrijpen, dat hij toen met korzelige woorden het volk afsnauwde en woedend met zijn staf op de rots sloeg. Tegelijk bezegelde hij daarmee zijn lot om als het ware als een voortijdige balling achter te blijven aan deze kant van de Jordaan.(4)

Wat zou er gebeurd kunnen zijn, als het volk wel in geestelijk opzicht gegroeid zou zijn en Mosjee dispensatie zou hebben gekregen, hebben sommige commentatoren zich afgevraagd.(5) Dan zou onder zijn leiding het land Kena’an zonder slag of stoot zijn veroverd, de tempel gebouwd en zou de Messiaanse tijd niet lang op zich hebben laten wachten. Een permanent verblijf in het land – ba-arets – zou dan zijn gegarandeerd geweest. Nu zou dat bepaald niet het geval gaan zijn, zoals de geschiedenis heeft getoond. Mosjee wist dat allang, het moet een tragisch besef zijn geweest. Weliswaar schetst hij in de verzen 4:6-7 even een rijk toekomstperspectief: wijs en verstandig zal het volk beschouwd worden in het oog van andere volken. Maar dan tekent de oude profeet in een paar forse pennenstreken een somber toekomstperspectief: de verdwijning uit het land en de verstrooiing onder de volken (maar ook een uiteindelijke terugkeer), zie 4:25-31. (6) Was deze lotsbestemming al na de ellende rond de verkenners bezegeld? De Oude Wijzen van de Talmoed hebben eens flink gerekend en kwamen tot de conclusie, dat het op de 9e van de maand Av was, dat de Eeuwige had besloten, dat de Israëlieten het beloofde land niet mochten betreden en een additionele veertig jaar zouden moeten zwerven in de woestijn. (7) Die negende Av (Tisja be-Av, vorige zondag) zou een doemdag worden in de Joodse geschiedenis, de dag waarop zowel de eerste tempel als de tweede tempel verwoest zouden worden, de dag van de fatale slag bij Betar tijdens de Joodse opstand in 135 CE, die de verwoesting van Jeruzalem zou inluiden, de dag van de verbanning van de Joden uit Spanje in 1492 en de dag van het begin van de Eerste Wereldoorlog, die de eeuw van de sjoa zou inluiden.

Geloof ik in deze gedoemdheid? Ik weet het niet. Al wat gebeurd is ligt voor de eeuwigheid vast (alleen ons verhaal erover kan veranderen), de toekomst ligt open voor de keuzes die we nog zullen maken. En wat Israël betreft, het land waar de Joden weer als natie mogen en kunnen wonen, zullen ze nu wel permanent in het land mogen blijven?
Het land is welvarend als nooit tevoren, het is omringd door haat, maar het leger is sterk, politiek gaat het er heftig aan toe en moraliteit is discutabel, maar het is een democratie. Toch, nu ik deze parasja heb gelezen en dit stuk heb geschreven, houd ik weer even mijn hart vast.

noten

(1) Ik heb passim dankbaar gebruik gemaakt van het commentaar van Rabbi Ari Kahn van 2010 op Aish.com

(2) Zie Ovadia Sforno ad Deut/Dev 1:37 op Sefaria.org

(3) ze worden in vele bladzijden samengevat in ‘The Legends of the Jews’, Louis Ginzburg, Legends of the Jews, 1909, vol. 3,6 op Sefaria.org

(4) (5) Zo ongeveer Malbim (19e eeuw)

(6) Deut/Dev 4:25 (NBV) Als u eenmaal in dat land geworteld bent en er ​kinderen​ en kleinkinderen hebt gekregen, en u gaat u misdragen door een ​godenbeeld​ te maken, een afbeelding van wat dan ook, en u tergt de Eeuwige, uw God, door te doen wat slecht is in zijn ogen – 26 ik roep vandaag de hemel en de aarde op als getuigen tegen u, dat u dan spoedig zult worden verdreven uit het land aan de overkant van de ​Jordaan, dat u in bezit zult nemen. Daar zal u dan geen lang leven beschoren zijn, integendeel, u zult worden weggevaagd. 27 De Eeuwige zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven.

(7) Talmoed Ta’aniet 29a

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.