Parasha van de Week

In de regel publiceren wij op deze site een commentaar op de wekelijkse voorlezing uit de Tora in de synagoge, de sidra of parasja.

In het Joodse jaar 5780 willen we echter commentaren wijden aan de haftarot (enkelvoud ’haftara’) die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing.

De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi’iem, de Profeten, het tweede deel van Tanach.

Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die aan de parasja Ekev is toegevoegd. 

Jesaja 49:14-51:3

... want de Eeuwige helpt Mij.

door Rob Cassuto

Na Tisja be-Av worden tot Rosj Hasjana de zogenoemde zeven haftarot van vertroosting gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja. Bij de parasja Ekev (1) is nu de tweede haftara van vertroosting aan de beurt. Pasoek (vers)  49:14  begint met de klacht  van Tsion (=Israël); als een kind denkt zij dat het door de Eeuwige is vergeten. Daarop volgt de dramatische vraag: hoe kan een moeder haar baby vergeten – en zelfs al zou zij haar kind vergeten, de Eeuwige zal dat niet doen …. Dan volgen vele troostende messiaanse beelden van herstel van Jeruzalems puinhopen en terugkeer van de ballingen (kibboets galoejot) naar Tsion: de talloze verloren gewaande kinderen zullen door de volken worden teruggebracht naar Jeruzalem, dat haast te klein wordt voor zoveel teruggekeerden:

21En u (dwz Tsion) zult zeggen in uw hart:
Wie heeft deze kinderen voor mij voortgebracht,
aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,
verbannen en verdreven?
Deze kinderen – wie heeft ze grootgebracht?
Zie, ik was alleen overgebleven.
Deze kinderen – waar waren die?
22Zo zegt de Eeuwige:
Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,
naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.
Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,
en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.

Het hoofdstuk eindigt dan (na wat bloedige metaforen aangaande de tegenstanders van Tsion) met de wereldwijde erkenning van de Eeuwige als de redder en de machtige van Jacob. (abier Jaäkov) (2)

In hoofdstuk 50 schakelt de profeet - die zich als het ware voertuig voelt van het wisselend gemoed van de Eeuwige wiens tolk hij zich voelt (3) – over naar een ander register. Nu is het de Eeuwige die – vanuit het veel gehanteerde beeld van de door zijn kinderen teleurgestelde vader - zijn afwezigheid rechtvaardigt; de kinderen van Israël zijn met hun moeder Tsion weggezonden, verkocht aan schuldeisers (4), want het heeft niet gezien en gehoord hoe het door de Eeuwige werd aangeroepen en het heeft zijn macht om te verlossen onderschat.

Dan welt er in Jesaja plots een persoonlijke noot op. Hij deelt met zijn publiek hoe zijn oren iedere ochtend geopend worden om te horen als een leerling wat hem onderwezen wordt, woorden om de vermoeide op te beuren. Hij laat zich niet weerhouden om te spreken wat hij heeft gehoord, zegt hij. Als het niet anders kan, zo zegt hij: (50:6)

geef (ik) Mijn rug aan hen die Mij slaan,
Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken.
Mijn gezicht verberg Ik niet
voor smaad en speeksel.
7Want de Eeuwige helpt Mij.
(5)

Maar niet het hele volk van Israël is slecht bezig; de profeet richt zich nu tot de mensen die, misschien tegen de stroom in, wel deugen. (6) Hij roept op wie in het donker dwalen en geen licht zien om net zoals hij te vertrouwen op Gods hulp en ommekeer te doen. Laten zij het voorbeeld van Abraham en Sara, hun voorvader en voormoeder, volgen en zo deel krijgen aan vergelijkbare zegeningen. Het slotbeeld van de haftara in de verzen 51:3 is een paradijselijk vergezicht:

Want de Eeuwige zal Tsion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de Eeuwige.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dankzegging en luid psalmgezang.


Laten we in deze passage ook persoonlijke troost vinden: als we in het donker dwalen en geen licht zien – wie kent in deze zorgelijke tijden die momenten niet – dan is dat niet blijvend en zullen licht en blijdschap ooit weer aanbreken.

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Ekev mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Abier Jaäkov, de Machtige van Jacob, is een staande uitdrukking die maar een paar keer in de bijbel voorkomt, met name bij Jesaja
(3) De profeet is degene die meevoelt met het gemoed – pathos – van de Eeuwige, zoals Abraham J. Heschel het uitlegt; die goddelijke pathos is als het ware een eigenstandige theologische categorie, die essentieel anders is als menselijke emotie (AJ Heschel, The prophets, Harper &Row, 1962)
(4) Een problematisch vers 50:1, dat eigenlijk in vragende vorm is gesteld: waar is die scheidingsbrief van jullie moeder? Het antwoord van Ibn Ezra en Radak is: die brief is niet gegeven, want de kinderen van Juda zijn immers teruggekeerd, het was een tijdelijke wegzending zonder get, zie The Book of Isaiah, vol 2, Judaica Press ad loc.
(5) Dit deel van de haftara maakt deel uit van de zogenaamde zangen van de knecht (èvèd). De eerste zang is de prachtige omschrijving van de lankmoedige, maar toch slagvaardige messiaanse leider in Jesaja 42: 1- 9. In de tweede zang, hoofdstuk 49:1-7, net voor het begin van deze haftara, zien we een meer persoonlijke dienaar, die vanaf de moederschoot is geroepen, zich vergeefs afmat, maar toch zal uitgroeien tot een licht voor alle volken. In de derde zang, Jesaja 50:4-9, dus deel van de haftara, voelt de vernederde en gefolterde knecht ondanks alles toch vertrouwen en bescherming. De laatste passages van hfst 52, vanaf vers 13 tot het eind van hoofdstuk 53, vormen tezamen wat men het lied of de zang van de lijdende knecht is gaan noemen. Boeken zijn volgeschreven over wie de knecht is. Al naar gelang de oriëntatie is het Jesaja zelf, het volk Israël of zoals de christenen het graag zien: Jezus Christus. Zie mijn lezing JESAJA HOOFDSTUK 53: WIE IS DE LIJDENDE KNECHT?
(6) ‘Mensen die wel deugen’, Jesaja zegt: ‘u die de gerechtigheid najaagt, u die God zoekt.’ Ik denk, dat de profeet niet bedoelt, dat het messianistisch perspectief alleen geboden wordt aan ‘U die observant Joods religieus bent’. Wil men in de staat Israël een messianistisch project zien (zie mijn commentaar op de bij de vorige haftara van
Wa-etchanan), dan valt op, dat de pioniers van het zionisme grotendeels seculiere Joden waren, die allereerst oog hadden voor de misère van het antisemitisme in Europa en gerechtigheid en waardigheid zochten – ieder op eigen wijze - in een veilige eigen staat, zoals Theodor Herzl, Joseph Trumpeldor, Achad Ha-am, Ben Gurion, Chaim Weizmann, Wladimir Jabotinski en zovele anderen.