Parasha van de Week

In de regel publiceren wij op deze site een commentaar op de wekelijkse voorlezing uit de Tora in de synagoge, de sidra of parasja.

In het Joodse jaar 5780 willen we echter commentaren wijden aan de haftarot (enkelvoud ’haftara’) die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing.

De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi’iem, de Profeten, het tweede deel van Tanach.

Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die aan de sidra (of parasja) Tsav is toegevoegd. 

Malachi 3:4-24 

Dan zal het ​graanoffer​ van Juda en ​Jeruzalem

voor de Eeuwige aangenaam zijn.

door Rob Cassuto   

Deze sjabbat is het de sjabbat ha-gadol, de grote sjabbat. Zo wordt de laatste sjabbat voor Pesach genoemd. Waarom is niet duidelijk, misschien wegens het noemen van de ‘grote en ontzagwekkende dag’ (des oordeels) aan het slot van Malachi 3:4-24, de verzen die in vrijwel alle liturgische tradities dan als haftara worden gelezen, ook als een andere parasja dan de parasja Tsav (1) die nu aan de orde is valt op deze sjabbat. De link met Tsav (Leviticus /Wajikra 6: 1-8:36) is dan ook mager, waarin de tempeloffers nog eens opnieuw worden doorgenomen, die in de parasja Wajikra al eerder werden beschreven; alleen het vernieuwde graanoffer wordt genoemd in het begin van het haftara-gedeelte.

Malachi -  ‘mijn engel’, vermoedelijk een pseudoniem - was de laatste profeet van de zogenoemde twaalf kleine profeten. Hij leefde in de tijd toen de tweede tempel was opgebouwd in het weer opnieuw door Joden bewoonde Jeruzalem. Het boek is de laatste profetische donderpreek die in Judea over de mensen wordt uitgestort. Kennelijk zag hij alweer nieuwe rituele en morele missstanden ontstaan; de offerdienst werd verwaarloosd, de priesters gaven geen goede uitleg, de mannen bleven niet trouw aan hun vrouwen.

In het nu aan de orde zijnde hoofdstuk drie verschijnt een nieuwe gestalte in Malachi’s vergezicht: mijn bode (er staat letterlijk: malachi van malach, bode, afgezant, engel), die de weg zal bereiden voor de komst van de Almachtige persoonlijk. Deze bode of afgezant zal met name de in het slop geraakte tempeldienst en haar lakse levieten zuiveren ‘als iemand die zilver smelt en het zuivert’. In het christendom denkt men, dat met de bode de Johannes uit het Tweede Testament wordt bedoeld. Waarschijnlijker is dat dit verwijst naar de komst van Elia, die in vers 23 wordt aangekondigd. Als dan die zuivering heeft plaatsgevonden, dan zal ‘het ​graanoffer​ van Juda en ​Jeruzalem voor de Eeuwige aangenaam zijn’ als vanouds, zoals staat in vers 4, het begin van onze haftara. Daarna zal ook de Eeuwige persoonlijk komen voor wat niet anders dan een angst inboezemende dag des oordeels genoemd kan worden. Wie moeten vooral dan hun hart vasthouden?
3:5 (NBV) Tovenaars en echtbrekers, mensen die ​meineed​ plegen en mensen die hun dagloners uitbuiten, en allen die ​weduwen​ en wezen​ onderdrukken en ​vreemdelingen​ geen plaats gunnen. Want geen van allen hebben zij ​ontzag​ voor mij – zegt de Eeuwige van de hemelse machten.

Als iemand ontzag voor de Eeuwige, godvrezendheid (godsvrucht met een archaïsch woord) had kon je er van op aan, dat hij of zij betrouwbaar, eerlijk, gastvrij, was. (2) Een waarachtig godvrezend mens geeft zijn tienden (ontduikt geen belastingen), blijft bij zijn vrouw, verkoopt geen leugens, is geen kwaadspreker, geen oplichter, ziet om naar zijn behoeftige medemens en bij hem of haar ben je veilig als gast. God was (of is voor wie wil geloven) de absolute autoriteit die de mensen nodig hadden (en vaak nog hebben) om dit gedrag over een hele gemeenschap ingang te doen vinden ten einde een leefbare samenleving mogelijk te maken. De hem toegedichte almacht hield (en houdt voor sommigen nog steeds) in, dat hij ‘goddeloos’ gedrag (op den duur) zou bestraffen en godvrezend (vroom) gedrag (op den duur) zou belonen. Voor de meer mystiek angehauchte is ontzag voor de Eeuwige losgemaakt van straf en beloning en verwijst naar ervaring van eigen nietigheid tegenover de schepper van de kosmos en schenker van levend bewustzijn.

Toch is het maar al te begrijpelijk, dat ook in de tijd van Malachi de twijfel van de vromen aan de steeds maar uitblijvende beloning voor hun goed gedrag toesloeg:
NBV 3:14 (…) ‘Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de Eeuwige van de hemelse machten? We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!’  
Dit gevoel van klaarblijkelijke grote willekeur in de verdeling van wel en wee, geluk en ongeluk, is van alle tijden.

Het paradigma van beloning voor ‘goed’ gedrag (goede oogst, welvaart) en straf voor ‘slecht’ gedrag (ziekte, nederlaag, ballingschap, ondergang) is toch veel te simpel, meestal onwaar en zelfs gevaarlijk. Zo is het onzin – in veel extreem religieuze kringen wordt misschien zo gedacht - de Corona crisis te zien als een straf voor de hoogmoedige mensheid. Maar de crisis is wel een signaal. Als met veel opoffering van mensenlevens, ten koste van een hoge economische en psychische prijs en met grenzeloze inzet van geweldige medische hulpverleners en wetenschappers het virus hopelijk is ingedamd kan de crisis mede begrepen worden als een wake up call om ons te bezinnen op onze eigen levenswijze en op onze hectische, kapitalistische en consumentistische samenleving. Neem bijvoorbeeld onze uitbuiting van dieren, waar immers vele soorten virusbesmettingen vandaan komen. Velen van ons hebben nu al de tijd om thuis met reflectie te beginnen. Nieuwe inzichten en voornemens kunnen uit deze crisis voortkomen. Of gaan we als dit achter de rug is onze gedwongen retraite met zijn ontberingen zo snel mogelijk vergeten om ons weer over te geven aan consumptieve uitspattingen, waanzinnige events en festivals en te gekke exotische reizen?

De laatste woorden van Malachi zijn ook de laatste woorden van het boek Neviïem, zoals de geschriften van Jozua tot en met Malachi worden genoemd. Die woorden vormen ook een laatste wake-up call:
3:22 Houd je aan het onderricht van ​Mozes, mijn dienaar, aan wie ik op de ​Horeb​ regels en wetten heb gegeven die gelden voor heel Israël. 23Voordat de ​dag van de Eeuwige​ aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de ​profeet​ ​Elia.

Niet meer zou de Eeuwige rechtstreeks via de menselijke mond spreken met de mensen, tenminste volgens de opvatting in het mainstream rabbijnse Jodendom. Met Malachi kwam aan het profetendom een einde. Vanaf toen was het aan de Joden (mensen) zelf om de Tora en zijn geboden te bewaken, uit te leggen en de toepassing aan te passen aan nieuwe omstandigheden; niet lang daarna deden de rabbijnen hun intrede, rabbijnen die geen profeten waren, geen priesters, maar leraren.

Maar nog eenmaal zal er een profeet komen – zo voorziet Malachi - die die messiaanse dag zal voorbereiden: Elia (3). Voor hem wordt tijdens de seidermaaltijd nog altijd de deur opengedaan voor het geval hij dan mocht komen. Ik wens allen te midden van de geldende beperkingen een Pesach kosjer we-sameach en een gezegend Pasen en blijf gezond!

Noten
(1) Commentaren op de parasja Tsav zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Zie bijv Genesis 20:11 Hier verklaart Abraham aan Avimelech, dat hij bang was, dat er in het huis van de laatste geen vreze Gods zou zijn, reden waarom hij heeft gezegd, dat zijn vrouw Sara zijn zuster was. “Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden”.
(3) Zie mijn artikel over Elia op mijn website
Over de nabijbelse Elia is een interessant stuk: https://www.uscj.org.il/commentaries/haftarah-parshat-tzav-shabbat-hagadol-2/

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.