Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Haäzinoe

Is Jesjoeroen vet geworden?

door Rob Cassuto

Devariem / Deuteronomium 32:1–52 

De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!’) bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjee, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt’. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (= Israël (2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.

Dan volgt de derde episode: het volk loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap (galoet) en diaspora zullen zich gaan afspelen. Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller (28:49): ’Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt’. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht’. (3)

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in barokke beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israël als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. Het doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?” In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer. Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).
In de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Ten slotte, als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Mosjee onthult zich vooral in deze laatste woorden als een profeet, die het naderend onheil aankondigt in een straffe poëtische confrontatie, die overigens wel eindigt met de boodschap van een behoorlijk oorlogszuchtige veldtocht van de Eeuwige tegen de vijanden van Israël.

Deze vorm van corrigerende en beeldrijke confrontatie van het volk met zijn afdwaling van de rechte weg is na Mosjee niet overgenomen door wat je zou mogen verwachten de priesters en Levieten. Samuel en Elia hebben nog wel pogingen gewaagd. Van de koningen had je een Mozaïsche waakzaamheid om de geboden in acht te nemen en de afgoden verre te houden mogen verwachten, maar een uitzondering daargelaten (bv Josia) hebben ze daar schromelijk in gefaald.

De taak om koningen, regeerders en het volk in het juiste spoor te houden in overgenomen door de profeten. De eersten waarvan we een schriftelijke getuigenis hebben zijn Amos en Hosjea. Zij hebben weer een bezieling die aan de bejaarde Mosjee en zijn lied doen denken en ook hun lyrische bewoordingen ademen dezelfde sfeer als diens laatste zang. Het is niet voor niets dat bijbelwetenschappers de totstandkoming van Mosjee’s laatste lied dateren uit de tijd van Amos en Hosjea, toen corruptie en afgodendiensten hoogtij vierden in de koninkrijken Israël en Juda. Als eenling stellen zij zich op tegen het gevestigde gezag. Jesjoeroen was vet geworden (Dev/Deut 32:15). Donker dreigde in de tijd van Amos, Hosjea en ook Jesaja de inval van de machtige Assyriërs. Uit de nadruk die Amos legt op Samaria (Sjomron) mogen we concluderen dat het rond de tijd van het genadeloze driejarige beleg van Samaria was of na de val van die stad (723 BCE) die de ondergang van het noordelijke rijk inluidde, dat Amos van het vee dat hij hoedde en van de moerbeien die hij kweekte in de heuvels van Juda vandaan werd geroepen om daar in het noordelijke rijk zijn profetieën te doen. Misschien heeft hij meegemaakt hoe de tien noordelijke stammen zijn gedeporteerd naar de noordgrens van het Assyrische rijk.

Misschien hebben hij en de schrijver van Mosjees’ zang ook werkelijk de weerzinwekkende beelden gezien die in de vervloekingen van de eerdere parasja Ki Tavo staan beschreven (Dev/Deut 27). Straf zijn ook de barokke beelden, waarmee Amos de door hem voorziene beproevingen beschrijft. Maar meer dan in de zang van Mosjee geeft hij concreet daden van oneerlijkheid en onrechtvaardigheid aan (Amos 2:6): ‘Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar ​sandalen. 7 Ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en maken zo mijn ​heilige​ naam​ te schande. 8 Ze strekken zich naast de ​altaren​ uit op ​kleren​ die ze in onderpand hebben, en in het ​huis​ van hun God drinken ze ​wijn​ die als boete was ontvangen’. En eenvoudig, met een schijnbare naïviteit, geeft hij het recept voor beterschap (Amos 5:15): Haat het kwade, heb het goede lief en zorg dat er recht gedaan wordt in de ​poort. Misschien zal dan de Eeuwige, de God van de hemelse machten, ​genade​ schenken aan wie er overgebleven zijn van Jozefs volk’.

In onze complexe en gefragmenteerde wereld mag je je afvragen: zijn wij (mensheid, natie, volk, Israël) net als Jesjoeroen vet geworden? Zijn we ergens het zicht op de essentie van waar het in de missie van de mensheid/Israël om gaat kwijtgeraakt en evolueren we langzaam naar een rampscenario? Wij kennen geen theologisch gelegitimeerde profeten meer. Misschien mag je wel spreken over een moderne profetische functie die in de samenleving fragmentarisch verdeeld is. Misschien mag je bezield door een profetische motivatie noemen de personen of instituten, die alarm slaan voor fatale en perverse ontwikkelingen per sector, zoals op het gebied van bankwezen, ecologisch evenwicht, moraliteit.

Overigens, Amos eindigt als andere profeten zijn donkere profetie met de lichte beelden van een belofte van herstel (Amos 9):

11Op die dag zal Ik oprichten
de vervallen hut van ​David.
Zijn scheuren zal Ik dichtmaken,
en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten

Noten

1. Zie ook: Gunter Plaut (ed), The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981, p.1409-1410
2. Jesjoeroen, poëtische naam voor Israël, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van jasjar, ‘recht(op), rechtvaardig’.
3. Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11. Hij verklaart dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren gericht op de Israëlieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zijn rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
4. Bijvoorbeeld Devariem/Deuteronomium 30:2 e.v. (Nederlands Bijbelgenootschap): ‘dan zal Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen’, we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.