Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Balak

Innerlijke strijd

Bemidbar/Numeri 22:2-25:9 

door Rob Cassuto

Balak, de koning van Mo’av, is doodsbang dat hij de Israëlieten na hun succesvolle veldtocht tegen de koningen Sichon en Og militair niet zal aankunnen en hij roept de hulp in van de magiër en waarzegger Bilam, die beroemd is om zijn kundigheid. Hij zendt een gezantschap naar de man.

Bilam, de protagonist van deze parasja, is een van de interessantste figuren uit de Tora en misschien wel de Tenach. Hij is letterlijk een voorbeeldig personage van een script, dat volgens de regels is geschreven: zijn karakter maakt een hele ontwikkeling door. Hoe, dat zullen we zo dadelijk zien.

In het merendeel van de midrasjiem wordt Bilam als de verpersoonlijking van het kwaad gezien, een iesj rasja, het volstrekte tegendeel van Avraham avinoe.  Gaan we het commentaar (vooral gebaseerd op de midrasj Tanchoema) van de middeleeuwse commentator Rasji lezen, dan is Bilam vanaf het begin bezield van boze plannen, hij is een doorgewinterde slechterik en wat hij ook doet of zegt wordt in de commentaren uitgelegd als getuigend van zijn perverse intenties. Hij is een man die van diepe haat jegens Israël is vervuld. Maar tegelijk is hij in de macht van De Eeuwige die Bilams mond als een buikspreker bespeelt, iets dat de beroemde sjamaan maar het liefst wil negeren, hopend op een moment, dat hij even aan deze macht ontsnappend zijn vervloekingen toch kan uitspreken. ‘Want Bilam haatte hen (de Israëlieten) meer dan Balak', zegt Rasji ad vers 11, hfst 22.

Maar dan verliezen we uit het oog, dat Bilam toch een van de weinigen is geweest, tot wie God rechtsreeks gesproken heeft: Zie Bam/Num 22: 9-11. Bilam kwam uit het land van Aram, dat ook het land was, waar Avraham en zijn familie hadden gewoond. Daar was de verering van de ene godheid niet onbekend. Ook tot Lavan, de neef van Avraham had Hij gesproken en ook Job (Ijov), die de ene godheid diende, woonde in het oosten (Job 1:3) dwz Aram. (1)

Ook in Bilam was een weten omtrent wat goed was en een besef, dat hij hiervoor moest staan ondanks de aantrekkingskracht van de makkelijke weg van leugen en materieel gewin.  Als de magiër voor de tweede keer bezoek krijgt, nu van de meest vooraanstaande gezanten, zegt Bilam (22:18): ‘Al zou ​Balak​ mij zijn ​huis​ vol zilver en goud geven, ik ben niet in staat het bevel van de Eeuwige, mijn God, te overtreden om iets te doen, klein of groot’.

Dat is toch een sterke stellingname tegen de verleiding van de belofte van eer en geld, die vele stervelingen onder ons niet zouden kunnen opbrengen.

Toch gaat Bilam met de gezanten mee op weg naar koning Balak. Daarmee levert hij zich uit aan het grimmige innerlijke proces van twijfel en wankelmoedigheid, stelt hij zich bloot aan de zuigende werking van lagere motieven, die hem toch op reis lieten gaan. Dat wordt in dit verhaal verbeeldt in de tragikomische scenes van Bilam en zijn ezel; het dier ziet het gevaar wel en  zijn meester niet. Op het moment, dat Bilams ogen worden geopend en hij de engel met het zwaard ziet, die hem de weg verspert, lijkt hij ommekeer te willen doen, hij wil letterlijk omkeren en weer naar huis gaan. Maar de engel geeft toch toestemming om verder te gaan. In termen van dit verhaal: de Ene spiegelt als het ware de wankelingen van het innerlijk van Bilam. En zo komt Bilam aan bij Balak en volgen de drie pogingen van Bilam om zijn opdrachtgever tevreden te stellen door vervloekingen voor Israël te genereren. Die liepen uit op zegeningen in plaats van vervloekingen, zegeningen en voorspellingen gesteld in barokke poëtische beelden, die o.a. de klassieke tekst ‘Hoe goed zijn uw ​tenten, ​Jakob! uw woningen, Israël!’ heeft opgeleverd, waarmee sinds mensenheugenis het avondgebed begint. Eigenlijk kon de magiër-profeet al weten, dat Israël al gezegend was, en geen zegeningen van hem nodig had, want was dat hem niet al in het begin van dit verhaal geopenbaard (22:12), dat ‘u dat volk niet (mag) ​vervloeken, want het is gezegend’.

In het uitspreken van de zegeningen heeft Bilam tot nu toe de verleiding weerstaan om de door Balak gewenste taal te spreken. Wel heeft hij gehoopt, dat zijn diepste weten van de waarheid even zou wijken en hem zou toestaan zijn opdrachtgever tevreden te stellen om zo de eer en het geld op te strijken. Hij heeft er zelfs zijn uiterste best voor gedaan in drie door Balak georganiseerde omslachtige en kostbare rituelen. Toch hield zijn integriteit stand tegen de begeerte.  Hij schrok zelfs – in zijn vierde reeks orakelspreuken – er niet voor terug de koning van Moav en ook andere volken een uiterst sombere toekomst te voorspellen, die hij aanheft met de woorden (24:15):

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
hij die de woorden van God hoort, spreekt
en die de kennis van de Allerhoogste weet;
die het
visioen van de Almachtige ziet,(…).

Je zou nu kunnen constateren, dat Bilam zich na deze spirituele ervaringen voldaan zou voelen over de enorme overwinning die hij had behaald op de wereldse verleidingen; over dat hij trouw is gebleven aan de ene godheid, die hem dit ware zicht op de toekomst had gegeven. Voortaan zou hij als vroom man door het leven gaan, zou je denken. Het goede heeft overwonnen. Maar kennelijk heeft Bilam dit niet zo ervaren. Het script heeft een onverwachte ontknoping. Hij moet zijn trouw aan de innerlijke stem, die hem de waarheid in de mond legde, uiteindelijk als falen ervaren. (2)

Want we zien hem in de volgende parasja als adviseur van de Moabieten en Midjanieten terugkeren, nu niet met orakels maar als aanstichter van het kwade plan om de Israëlitische mannen te verleiden tot omgang met de meisjes van Moav en Midjan, een catastrofe waarover de volgende parasja Pinchas verhaalt (31:16). In die zin is Bilam een tragische figuur. Een mens, waarin zich (wat kort door de bocht) de worsteling tussen goede en kwade neigingen afspeelt - een voor ons allen herkenbaar menselijk proces – maar die na een aanvankelijk geslaagd standhouden toch een morele nederlaag lijdt.
 

Noten

(1) zie S.R.Hirsch ad 22:5 en 9.
(2) Deze omslag in karakter ziet ook Maimonides, die Bilam beschouwt als profeet, die ten kwade afglijdt (Guide to the Perplexed p. 242). Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bil'am. In de lijn van Maimonides zei R. Yochanan over Bilam: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a).

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.