Choekat

commentaar BIJ Bemidbar
- Choekat
8 Tammuz 5781

De Nechoesjtan

door 
Rob Cassuto

Bamidbar 19:1 22:1

In deze parasja Choekat maken we een sprong in de tijd van 38 jaar, expliciet vermeldt de tekst dat niet. Een hele generatie van Israëlieten is heengegaan. Ook Mirjam sterft en niet veel later Aharon. Een vitale nieuwe generatie reist verder de woestijn in en dan vindt een eigenaardig incident plaats (21:4-9). Het volk zit zonder water, vindt manna minderwaardig, een oude klacht – zevenmaal komt dat voor in de Tora – weerklinkt: ‘waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?'

Een koperen slang

De Eeuwige is ‘not amused' en laat als respons op dit protest giftige slangen (nechasjiem sarafiem) los op het volk die de mensen bijten en velen sterven. Dat brengt de Israëlieten tot ommekeer en ze smeken de oude leider om een oplossing. Mozes krijgt een merkwaardig idee ingegeven. Hij maakt een koperen slang (nechasj nechosjet) en houdt deze op een standaard (nees) omhoog; wie ernaar kijkt, zal worden genezen, en aldus gebeurt. Volgens de tekst heeft de Eeuwige het zelf overigens niet over een koperen slang, maar alleen over het maken van een ‘seraf', een (soort) engel, of ‘iets brandends' (van saraf branden). Het is Mozes, die besluit, dat het een slang moet zijn en wel eentje van koper.

Zijsprong naar her Christendom

Even een zijsprong naar het christendom; daar hebben christelijke theologen de Tanach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de rabbijnen - naarstig afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasja wordt de aanzet door Jezus zelf gegeven, als hij zich (in het evangelie van Johannes 2) vergelijkt met de reddingbrengende koperen slang. De op de standaard omhoog geheven en genezing brengende koperslang ziet men als een voorafschaduwing van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost. 

Geen inherente heiligheid

Talmoedische rabbijnen vroegen zich af: beging Mozes met zijn koperen slang niet een flagrante overtreding van het tweede gebod van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod (Sjemot 20:4 3)? De geleerden lieten dit afhangen van de vraag: kon de slang an sich dood of leven brengen? 4 Nee, het ging erom de Israëlieten het hoofd te doen heffen, omhoog naar hun hemelse vader om hulp en als ze dat deden, begon de genezing. Hieven ze het hoofd niet, dan trad de dood in. De slang was dus niet het doel, maar het middel dat omhoog wees naar de Allerhoogste. In de slang zelf was geen godheid geïnvesteerd. Rituele voorwerpen in het Jodendom hebben geen inherente heiligheid en verwijzen alleen maar naar de geboden, zoals Abraham Joshua Heschel uitdrukkelijk stelt.5  Toen de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) zag hoe de koperen slang die eeuwenlang in de tempel was bewaard werd vereerd, vond hij dat maar niks, ‘hij sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang (nechoesjtan) droeg, wierook te branden' (2 Koningen 18:4). De verleiding om bepaalde objecten tot doel te maken van verering en aanbidding is vaak onweerstaanbaar. Misschien goed om ons eens af te vragen: welke zaken hebben wij al te heilig gemaakt?

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2 Joh. 3:14 En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft

3 Sjemot/Exodus 20:4-5 U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding  van  wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een na-ijverig God, etc

4 Talmoed Rosj Hasjana 29a

5 In Abraham Joshua Heschel, ‘Man's quest for God', Aurora Press, 1998, ch. 5
vertaald als ‘In het licht van zijn aangezicht’, 4e druk, 2011, Bijleveld

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right