Kedosjiem

Kedosjiem

commentaar BIJ Wajikra
- Kedosjim
1 Iyar 5784

Je naaste liefhebben

door 
Rob Cassuto

Leviticus/Wajikra 19:1–20:27

Deze sjabbat wordt sjabbat Tekoema genoemd omdat in deze week ook de Onafhankelijkheidsdag – Jom ha’Atsmaoet – wordt gevierd.


In vele wereldgodsdiensten en levensbeschouwingen komt deze regel wel in een of andere vorm voor, maar het meest bekend is hij in de formulering: 'Hebt uw naaste lief als u zelf’. Als je de vraag stelt: Wie heeft de uitspraak gedaan?, krijg je meestal het antwoord: Jezus. Hij heeft dat wel gezegd, maar hij citeerde - als de Joodse leraar die hij ook was - uit de Tora, uit de onderhavige parasja Kedosjiem 1 , Wajikra/Leviticus 19: 17: Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover uw volksgenoten, maar heb uw naaste lief, ik ben de Eeuwige .

Kan je de naaste lief hebben als jezelf?

Is dit een voorschrift om tegenover iedereen liefderijke gevoelens te hebben? Hoe kan je zoiets door een gebod afdwingen? Wat als je iemand absoluut niet mag? En wat heb je aan de liefderijke gevoelens van iemand, die jou als je honger hebt geen brood geeft? De middeleeuwse commentator Nachmanides betwijfelt aan het menselijk vermogen om aan dit zo absolute gebod op emotioneel niveau te voldoen. Er staat in het Hebreeuws trouwens ‘Ahawta le-reacha k'mocha', letterlijk vertaald: ‘Heb naar de naaste toe lief’; die naaste staat niet in de vierde naamval - maar in de derde naamval. Dat brengt het liefhebben in de sfeer van het streven en niet zozeer als een te volbrengen resultaat. Het gaat niet om de naaste als persoonlijkheid, maar om zijn welzijn. Dan wordt het voorschrift de ander lief te hebben als jezelf wel vatbaar voor een actieve uitvoering. Het gaat er om het welzijn van de ander te bevorderen, ook al mag je hem of haar misschien niet. Het gaat dan niet alleen om die edele trits uit het verhaal van de barmhartige Samaritaan, de giften van voedsel, kleding en onderdak. (Lukas 10:25–37)
Giften van voedsel, kleding en onderdak zijn belangrijk, maar ook (schijnbaar) minder spectaculaire, kleinere en alledaagse daden van hulp en hoffelijkheid.

En de vijanden?

Zelfs als het een vijand betreft. Zie bijv. Sjemot/Exodus 23:5: ‘Wanneer gij de ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult gij dit niet onverschillig aan hem overlaten. Gij zult hem zeker helpen met afladen'.
Moeten we hier een algemene regel uit destilleren, zoals Jezus zegt? ( ‘Hebt uw vijanden lief'). Ik zou zeggen van niet. We mogen zelfs opgelucht zijn wanneer we aan de vijanden die het op onze ondergang gemunt hebben ontkomen zijn en dan zelfs een loflied aanheffen (lees het lied van Mozes, sjier ha-ham, Sjemot 15). Maar hoe moeilijk ook, over hun leed en ondergang moeten we ons niet verheugen: de Eeuwige berispte de Engelen die zongen toen de Egyptenaren verdronken in de Rietzee; ‘want ook zij zijn Mijn schepselen (Talmud Megilla 10b, Sanhedrin 39b). 
Dat geldt ook in deze dagen evenzeer.

Sjabbat sjalom!

Noot

  1. Meer over Kedosjiem in Rob Cassuto, Reizen door de Tora , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium

    Dit is een bewerking van een commentaar dat ook in het NIW van deze week is verschenen.

RC mei 2024

Archives

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right