Parasja Reëe

commentaar BIJ Dewarim
- Reë
28 Av 5782

Jeruzalem

door 
Rob Cassuto

Devariem 11:26–16:17

De parasja Reëe (‘Zie, besef') luidt een derde deel in van de grote laatste rede van Mosjee. 1 We lichten daaruit de bepaling in vers 12:11 waarin wordt verordonneerd, dat, als het volk zich heeft gesetteld in het beloofde land er één plaats moet zijn voor de eredienst.  ‘Dan zal daar de plaats zijn die de Ene, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de Ene belooft’.

Centralisatie van de eredienst

Veel van de bepalingen in Devariem worden ook al elders, soms in wat kortere, soms in uitgebreidere vorm, gegeven, maar de centralisering van de eredienst op één plaats staat alleen in dit bijbelboek geboden. Hoewel nergens in Devariem of ook in de andere Mozaïsche boeken met name genoemd, wordt met ‘de plaats' natuurlijk Jeruzalem (Jeroesjalajiem) bedoeld.
Bijbelhistorici brengen deze passage in verband met de vrome koning Josia (Joshiahoe, plm 700 BDE), die beval dat overal in het land alle afgodische altaren en dubieuze plaatsen van verering moesten worden vernietigd (vgl. Devariem 12:2-3) en dat de offers en de feesten alleen in Jeruzalem zouden mogen plaatsvinden. Misschien heeft hij dit gebod tot centralisatie van de eredienst laten invlechten in de geschriften om aldus de aanwijzing van Jeruzalem meer gezag te verlenen. Waarschijnlijk is dit de boekrol geweest, die tijdens de restauratie van de tempel werd gevonden zoals vermeld in 2 Koningen/Melachiem 22: 8 ev : ‘Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de Eeuwige gevonden. Hilkia gaf die boekrol aan Safan, en die las het etc’.. De geleerden veronderstellen, dat dit de oertekst van Devariem is geweest of een voorloper daarvan.

Jeruzalem in de geschiedenis

In de Tanach komt Jeruzalem in beeld als koning David de stad op de Kanaänitische Jebusieten heeft veroverd en hij er zijn paleis bouwt. David beseft, dat Jeruzalem de plaats moet worden waar de ark zal moeten staan en dat een heilige woning hem zal moeten herbergen. De profeet Natan bevestigt dat dit inderdaad de wens van de Eeuwige is (2 Sjmoeel/Samuel 7). De koning heeft zijn verlangen om die sacrale plek te realiseren onder woorden gebracht in psalm 132:3,4: ‘Ik zal mijn tent niet binnengaan, noch mij te ruste leggen op bed, mijn ogen niet overgeven aan de slaap, noch mijn wimpers aan de sluimer, voordat ik een plaats vind voor de Eeuwige, een woning voor de Machtige van Jacob.' Het kwam aan zijn zoon Salomo (Sjelomo) toe de tempel daadwerkelijk te bouwen.
Daarmee is de drieduizend jaar lange geschiedenis van Jeruzalem begonnen. Een brute en bloedige historie van bloei en ondergang, verwoesting en herbouw. Maar boven haar aardse lotgevallen ontspon zich ook een zowel politieke als spirituele geschiedenis. Jeruzalem (ofwel Tsion, een van haar belendende heuvels) werd het brandpunt van het meer dan tweeduizend jaar lange verlangen van de Joodse ballingen naar een herboren thuisland en tenslotte – zowel in het Jodendom als het christendom -  de belichaming van het verlangen naar een messiaanse wereld van welzijn en gerechtigheid, waarvoor de profeten de aanzet hebben gegeven 2 .

Jeruzalem in de ziel

Jeruzalem, Tsion (en de tempel) kan ook in het innerlijk een symbool zijn voor een plek in de ziel. Een heilige plek die in iedere Jood, cq. in ieder mens, in principe aanwezig is, geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, waarin de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten 3. Ik denk dat het verlangen er is om ondanks alles een glimp van die verzoende staat op te vangen. We hoeven niet letterlijk naar Jeruzalem te gaan of daar een derde tempel te bouwen om op een plek van heelheid en verzoening – sjalom – te komen. Ergens in ons is die plek er, al is hij vaak door onze levenshistorie, het geraas van ons gepieker en de chaos van de omringende wereld moeilijk waarneembaar geworden.
Koning Josia trachtte de afgodische altaren in het land te verwijderen. Is dat voor ons ook nodig om te doen? Het is een vruchtbare vraag, die niet hoeft te leiden tot een oproep tot religieuze intolerantie, maar eerder tot een oproep tot zelfreflectie; welke afgodische altaren - misschien een verslaving, een opgezwollen ego, verder zelf invullen … - kunnen we op het pad naar de heilige plek in onszelf aantreffen 4.

Noten


1. Verschillende andere commentaren op de parasja Reëe zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2.  Zie bv. Jesaja hfst. 60

3. Ik heb me hier mede laten inspireren door een bewerking/vertaling van de Sfat Emet (19e eeuw) door Arthur Green, The language of truth , the Jewish Publication Society, 1998

4 In de kabbala wordt Tsion veelal geassocieerd met de sefira Jesod en Jeruzalem met Malchoet, waarbij Tsion het mannelijk aspect belichaamt en Jeruzalem het vrouwelijk aspect. Opmerkelijk zijn de seksuele overtonen van de kabbalistische uitleg, die soms doen denken aan Tantra.

Archives

©2022 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right