Sjemot

Sjemot

commentaar BIJ Sjemot
24 Tevet 5784

Slavernij: hoe heeft het zo ver kunnen komen?

door 
Rob Cassuto

Sjemot/Exodus 1:1–6:1

Het tweede boek Sjemot / Exodus van de Tora begint met de gelijknamige parasja Sjemot, wat betekent ‘namen', want het boek begint met de namen van de zonen van Jacob.
In vogelvlucht behandelt de parasja de uitgroei in de loop van honderden jaren van die zonen van Jacob tot een volk van honderd duizenden, een volk, dat door een latere farao wordt gezien als een bedreiging; hij knecht het tot slavenarbeid en gelast de moord op geboren jongetjes. Hoe heeft dat volk in het land Gosjen het toch zover laten komen, dat zij zich hebben laten knechten tot dwangarbeid en dat zij zo lang hebben berust in slavernij?

Strategie van de farao

Natuurlijk kan de oorzaak aan de kant van de Egyptenaren worden gezocht. Dat vermeldt de Tora ook. Het was een politiek-strategische zet, zoals de oude wijzen opperen. De Farao was bang voor een groot volk van vreemdelingen aan de zwakke oostgrens van zijn rijk, een grens die al te vaak overschreden werd door vijandige volken uit het oosten. Hij vertrouwde die vreemdelingen niet.
Vrees voor ongewenste allianties van de Israëlieten met de vijand was uit zijn oogpunt niet onterecht. Misschien waren hij en de andere Egyptenaren ook jaloers op hun economische voorspoed (waar hebben we dat later steeds weer gezien?). Door het volk in aantal te beperken door dwangarbeid en zijn bevel de mannelijke kinderen te doden sloeg de Farao – vermoedelijk Ramses II – twee vliegen in één klap. De oostgrens werd betrouwbaarder beveiligd en tegelijk kon hij de dwangarbeiders inzetten in de bouw van zijn twee nieuwe hoofdsteden, Pithom (stad van Amon) en Ra'amses (stad van Ramses).

Assimilatie

Maar ook zochten commentatoren de oorzaak aan de kant van het volk Israël zelf. De Eeuwige trok zijn handen van het volk af, omdat de Israëlieten niet afgezonderd bleven in hun land Gosjen en niet trouw aan de vaderen; ze mengden zich in hun steeds groeiend aantal onder de Egyptenaren en gingen hun gewoonten ‘na-apen', een voorafschaduwing van de latere helleniserende en romaniserende trends, die zich in de periode van deze uitleggers voordeden. De Eeuwige deed de houding van de Egyptenaren omslaan in haat. Die omslag in haat zien we in alle eeuwen weer gebeuren bij de naties die de bemoeienis van de Joodse minderheid in hun sociale, culturele en economische leven niet konden uitstaan; een verschijnsel dat ook zonder Gods ingrijpen verklaard kan worden*.

Educatieve doeleinden?

Sommigen dichtten aan de Eeuwige ook educatieve doeleinden toe met het toelaten van deze lange periode van slavernij. Het zou een straf zijn, die een opvoedende of een zuiverende werking beoogt; zoiets als een vader zijn zoon straft om hem op te voeden; een opvatting, waarbij mijn moderne haren overeind gaan staan.
Wel is er in ieder geval een heel belangrijke educatieve uitwerking achteraf, na de ontworsteling aan de Egyptische onderdrukking. Wat we in de Tora steeds weer tegenkomen, is dat deze slavenperiode door de Bené Israël in herinnering moet worden gehouden als motivatie om zelf vreemdelingen goed te behandelen. Steeds klinkt de herhaalde oproep om de vreemdeling niet te onderdrukken, zoals in Sjemot 23: 9. Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte.Nog op vele andere plaatsen wordt de slavenperiode met zijn onderdrukking en lijden samen met de bevrijding daaruit, in herinnering gebracht bij de oproep de vreemdelingen te ontzien, te beschermen en zelfs lief te hebben (Sjemot/Exodus 22,20, Wajikra/Leviticus 19,34, Dewarim/Deuteronomium 10,19.); ook de voor die tijd opmerkelijke milde regels rond de behandeling van slaven zijn gebaseerd op de eigen ervaring slaaf te zijn geweest.

Verlies van identiteit

In termen van voorzienigheid vraag ik me af of we wel kunnen spreken van een intentioneel hoger ingrijpen of van een vooraf gegeven hogere bedoeling van onderdrukking in het algemeen en ook in dit geval van het lijden van de afgebeulde nakomelingen van Jacob in de Egyptische ballingschap. Heeft lijden een vooraf gegeven zin? De ontwikkeling is ook te begrijpen als een intrinsieke ontwikkeling in de ziel en de geest van de volksgemeenschap en zou dan te maken kunnen hebben met het wegvallen van het gevoel van zin en richting; dat geeft de machtige meerderheid de mogelijkheid de stuurloze minderheid naar zijn hand te zetten. Inderdaad speelt de Egyptisering van de Israëlieten gedurende vierhonderd jaar van verblijf in het land van de Nijl daarbij waarschijnlijk een grote rol. Langzamerhand verloren Israëlieten de herinnering aan hun afkomst, hun voorvaderen en hun godheid. En toen ze God vergeten waren, had God als het ware ook hen vergeten. Deze godvergetenheid wordt ook weerspiegeld in de tekst van de eerste twee paragrafen door de afwezigheid van de vermelding van de godsnaam (pas aan het eind van de tweede paragraaf komt hij tevoorschijn).
Dat alles betekende een groot verlies voor het volk; zonder een gedeelde herinnering aan afkomst en traditie en zonder een gezamenlijk spiritueel ervaren verliest de groep zijn samenhang en de nodige weerbaarheid om zich tegen uitbuiting en agressie te verdedigen.
De beschrijving in de Tora van deze episode bevat geen tekenen van verzet bij het volk van Israël tegen de orders van de Farao**); het is een naamloze grijze massa die de moed heeft verloren, een volk zonder helden, een lijdzame menigte waarin geen leiders zich opwerpen die ‘nee, tot hier en niet verder' durven te zeggen.
Een schreeuw naar de hemel

Tot de gemartelde uitgeputte massa het uitschreeuwde van ellende, ‘ins Blaue hinein'. Ze richtten hun schreeuw misschien niet eens tot de Eeuwige, die ze niet meer kenden, want in de tekst staat alleen, dat ze schreeuwden zonder object. Maar de schreeuw steeg wel op en bereikte een transdimensionaal niveau. Zo staat het er: “ ze schreeuwden en hun hulpgeroep steeg op naar de Eeuwige ” (2:23). Hij schrok als het ware uit Zijn schijnbare non-existentie wakker en trok zich het lot van het volk aan.
En er was een eenzame herder Mozes, een Hebreeër, die midden in de woestijn daarvan getuige was bij een doornstruik, die door die plotseling ontwaakte vurige compassie was gaan branden. Hoe kwam hij daar? Toen hij in Egypte was  geboren, ontkwam hij door een list van zijn moeder aan het bevel van de farao om alle pasgeboren jongens te doden. Hij kwam zelfs geadopteerd door een prinses aan het hof terecht en groeit op onder de naam Mozes (Mosjee). Man geworden herkent deze zijn broeders en moet na doodslag op een Egyptische slavendrijver vluchten naar de Sinaï woestijn waar de Eeuwige zich in een nieuwe hoedanigheid aan hem bij die brandende doornstruik openbaart en hem opdraagt zijn onderdrukte volk naar de vrijheid te leiden.

Noten

*) Guus Kuijer geeft in het begin van zijn ‘De bijbel voor ongelovigen, deel 2' een aardige parafrase van de toestand van de Israëlieten in Egypte met impliciete verwijzing naar de ‘vreemdelingen' in ons Nederland.

**) Shifra en Poe'a, de vroedvrouwen die het bevel van de Farao om de mannelijke baby's om te brengen in de wind sloegen, lijken een uitzondering (Shemot/Exodus 1:15 ev). Vele commentatoren menen echter, dat zij geen Jodinnen waren, maar Egyptische vrouwen. ‘ Mejaldot ha-Ivrim ' kan vetaald worden als ‘Hebreeuwse vroedvrouwen', maar ook als ‘vroedvrouwen voor de Hebreeën'. Rabbijn Jonathan Sacks merkt de daad van de dappere vroedvrouwen aan als eerste gerechtvaardigde verzetsdaad tegen gevestigd gezag.

Herzien jan 2024

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right