Waëra

Waëra

commentaar BIJ Sjemot
- Waéra
2 Shevat 5784

De Godsnaam

door 
Rob Cassuto

Sjemot / Exodus 6:2 – 9:35

Als de parasja Waëra (‘Ik verscheen' ) 1 begint, zijn de onderhandelingen met de Farao begonnen. Een eerste terugslag, een verergering van de onderdrukking, was het gevolg van de eerste confrontatie van Mozes en Aharon met de Egyptische vorst. Aan de ontmoedigde Mozes heeft de Eeuwige zijn bevrijdingsbelofte herhaald. Als het ware om zijn spreekbuis wakker te schudden, moed in te spreken en op te roepen zijn missie weer op te pakken.  Nu maakt de Eeuwige zich opnieuw en uitgebreider dan eerder in hoofdstuk 3 bekend: ‘Ik ben de Eeuwige. Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende - ‘El Shaddai' - maar mijn naam ‘Eeuwige' (JHVH) heb ik niet aan hen bekendgemaakt (6:2,30). Mozes en zijn broer Aharon krijgen opnieuw de opdracht naar Farao te gaan en Mozes beroept zich voor de tweede keer op zijn spraakgebrek. Filologisch gezien lijkt het wel of de teksten over de roeping van Mozes wat onhandig zijn gemonteerd uit verschillende versies. In het verhaal past deze herhaling wel als een aansporing aan de twee broers om niet op te geven. Ook in vers 28 lijkt een nieuw begin zich af te spelen met alweer een aanvankelijk tegensputterende Mozes en een eloquente Aharon. Maar dan wordt het menens en begint de strijd tussen Mozes en Aharon als kampioenen van de Eeuwige aan de ene kant en aan de andere kant de machtige Egyptische vorst, die dit volk van onmisbare arbeidsslaven niet wil laten gaan uit zijn land, dat beproefd zal worden met de ene ramp na de andere.

De plagen

Een reeks van natuurgebeurtenissen in opklimmende graden van ernst overvallen Egypte, rampen die lijken opgeroepen te worden door de gebaren van Aharon en Mozes als tekens van de macht van de Eeuwige, waarvoor de koppige vorst van Egypte het hoofd zal moeten buigen.
Tien plagen - ‘makot’ in het Hebreeuws - zijn het die het land gaan teisteren 2 . De eerste zeven plagen worden in deze parasja Waëra beschreven. De eerste drie plagen zijn natuurverschijnselen, die ook door de tovenaars van Farao kunnen worden gereproduceerd, maar daarna geven ze het op. Na de vierde plaag begint de koninklijke koppigheid te bezwijken, maar telkens komt de verstokte heerser op zijn toegeven aan de eis van Mozes terug. In de volgende parasja Bo gaat het verder; de tiende plaag, de dood van de eerstgeborenen, zal uiteindelijk de wil van Farao breken.
Mijn naam ‘Eeuwige' (JHVH) heb ik niet aan hen bekendgemaakt

We gaan hier wat verder in op de nieuwe godsnaam en het ‘wonder' van de plagen. De Ene maakt zich hier bekend met een nieuwe aanduiding als het tetragrammaton JHVH. 3 Bij de aartsvaderen was hij met die naam niet bekend. Voor mij duidt dat op de overgang naar een nieuwe fase in het menselijke bewustzijn over de schepping. Wel was Hij al aan de vaderen bekend als Elohim en ElShaddaj. Met die nieuwe naam - in het Jodendom uitgesproken als Adonaj of Hasjem - onthult de Eeuwige zich in een nieuwe hoedanigheid.
Om het mysterie van de godheid te benaderen in woorden helpt het mij om het beeld te gebruiken van een stem, die vanuit een hogere (of diepere) dimensie wil doordringen in het bewustzijn van de mensen en die hints of zelfs dringende richtlijnen geeft over waar het in de schepping om gaat. In zijn zuiverste vorm is dat de stem van de Ene, van de universele schepper en voorstuwer naar een ons nog verborgen kosmisch doel.  
Maar dit gebeurde (en gebeurt nog steeds ) in sprong-achtige fasen. Het is een proces van aanvankelijke verborgenheid naar grotere onthulling, telkens onderbroken door terugkerende verborgenheden, vervormingen, misverstanden. De verborgenheid, dit voortkomen uit en weer terugvallen in het duister en weer sterker tevoorschijn komen is ook in de overlevering van de Tanach, naar inhoud en vorm weerspiegeld. Ook het godsbewustzijn evolueert, zij het niet altijd of meestal niet volgens de paden van orthodoxie en dogmatiek.

Avraham heeft zich in de mensengeschiedenis geplaatst als een der eersten, die in een intense, door hem in die tijd te vatten, vorm deze stem ontwaarde. Voor hem was die stem niet afkomstig van een abstracte godheid, maar getuigde deze van een beschermende en richting gevende presentie, die als god voor hem en de zijnen genoeg was en waarnaast hij geen andere goden behoefde, wier bestaan overigens niet werd ontkend en waarvan elementen wel degelijk nog bij Avraham te bespeuren zijn. In de lange jaren, dat zijn nakomelingen in Egypte uitdijden tot een groot volk was het contact met die God van Avraham, Jitschak en Jaäkov echter geheel op de achtergrond geraakt, zo niet verdwenen, en was de invloed van de Egyptische goden en gebruiken waarschijnlijk sterk doorgedrongen. Een enorme sprong voorwaarts in het vermogen de stem weer opnieuw en nu in een zuiverder vorm te horen ervoer Mozes bij de doornstruik in die afgelegen steppe. Mozes ont-dekte deze stem weer, eerst in zijn alles doordringende dynamische zijn/worden, niet zozeer als een abstract eeuwig zijn, maar als een vitaal in alles en in ieder moment beschermend en ontfermend aanwezig zijn 3. Later, in de woestijn, op de berg Sinaj, zal de stem zich machtig manifesteren in de, zullen we maar voorlopig zeggen, ethische gedaante van dit zijn/worden.

In de opvatting van Martin Buber 4  is Mozes te zien als de eerste profeet - zij het een zeer bijzondere - in de reeks profeten die Israël gekend heeft. Hij is niet zozeer een tovenaar, die allerlei wonderen bewerkstelligt, maar meer een man die als profeet met een heilige opdracht profetische woorden spreekt en natuurgebeurtenissen, die zeer wel denkbaar plaatsgevonden kunnen hebben - een aantal plagen acht Buber best historisch aanvaardbaar - , profetisch duidt als tekenen van Farao's verstoktheid. In tegenstelling tot de meeste latere profeten heeft hij bij de koninklijke autoriteit uiteindelijk wel succes.
noten

1.  Verschillende commentaren op de parasja Waëra  zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA    , deel 1 Genesis en Exodus.

2. Later zullen die plagen ieder jaar tijdens de feestelijke maaltijd op de eerste twee dagen van Pesach met veel hilariteit worden gezongen uit de ‘haggada', het boekje met het exodus-verhaal: ‘Dam. Tsefardea. Kiniem Aroev . Dever Sjechien. Barad. Arbeh. Chosjech. Makat-bechorot' . Eerst veranderde de Nijl in bloed. Toen werd het land met kikkers bedekt. Daarna zat de lucht vol ongedierte. Toen stuurde God wilde beesten. Al het vee ging dood. Daarna zaten de Egyptenaren onder de builen. Scherpe en ijskoude hagelstenen en vuur vielen uit de lucht. Zwermen sprinkhanen aten het graan op. En toen werd het heel erg donker. Toen werden de eerstgeborenen gedood.

3. De meeste bijbelwetenschappers menen, dat de naam JHVW voortkomt uit een causatieve vorm van het werkwoord ‘haja', zijn.

4. Martin Buber, Mozes, Servire, 1970; oorspr.: Moses, 1965; meer dan een biografie ook een beknopt commentaar op de Tora.

Bewerkt jan 2024

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right