Wa'etchanan

commentaar BIJ Dewarim
- Waètchanan
13 Av 5781

De heelheid van een gebroken plaat

door 
Rabbijn Naomi Kalish

Dewariem 3:23 - 7:11

De sidra Waètchanan (Dewariem/Deuteronomium 3-7) wordt altijd gelezen op Sjabbat Nachamoe - de "Sjabbat van Vertroosting" - die onmiddellijk na Tisja Be'av valt, de dag waarop we de vernietiging van de Eerste en Tweede Tempel herdenken. Die naam is ontleend aan de openingszin van de Haftara: "Troost, troost, mijn volk." (Jesjajahoe 40:1)

De thema's van deze Sjabbat weerspiegelen het proces van het verwerken van verdriet, van de verwoesting die wordt geschilderd door Tisja Be'av tot de troost die wordt uitgedrukt door Sjabbat Nachamoe, en uiteindelijk tot de vernieuwing waarop wij hopen op Rosj Hasjana. Toen de Tempel nog stond, had de offerdienst een mechanisme aangereikt om de ervaringen van het leven, of die nu vreugdevol of pijnlijk waren, te markeren, ermee bezig te zijn en er doorheen te gaan. De verwoesting van de Tempel was niet alleen een ramp op zichzelf; het was ook de vernietiging van het systeem voor het omgaan met calamiteiten, het systeem voor het rouwen en het bieden en ontvangen van troost. Het Joodse volk had geen idee hoe ze van deze ramp konden genezen en toch slaagden ze daar op de een of andere manier in.

De vroege rabbijnse tekst Avot de’Rabbi Nathan vertelt ons een verhaal van genezing en veerkracht in de nasleep van de vernietiging van de Tweede Tempel. Het verhaal begint zo: “Eens verliet Rabban Jochanan ben Zakai Jerusalem en Rabbi Jehosjoea volgde hem. Rabbi Jehosjoea zag de Heilige Tempel verwoest worden en hij klaagde: 'Wee ons, want dit is vernietigd - de plaats waar alle zonden van Jisraëel worden vergeven!'” De tempel was de plaats waar de mensen offers brachten om belangrijke momenten in hun leven te markeren en om spirituele transformatie te ervaren, ook wanneer ze zondigden en een ongrijpbaar gevoel van vergeving of verzoening zochten. Dit ritueel was een manier om zichzelf spiritueel te reinigen en opnieuw te beginnen. Rabbi Jehosjoea vreesde dat ze zonder dit ritueel een voortdurend gevoel van schuld en schaamte zouden voelen en gevoelens van verdriet en ontoereikendheid met zich mee zouden dragen.

Rabban Jochanan antwoordde: “Mijn kind, maak je geen zorgen, want we hebben een vorm van verzoening die er precies op lijkt. En wat is dat? Daden van vriendelijkheid, zoals er staat: 'Want ik verlang naar vriendelijkheid, niet naar een welzijnsoffer'" (Hosjea 6:6). In plaats van zich beroofd te voelen, toonde Rabban Jochanan hoop, visie en doelgerichtheid.

Deze twee personen hadden hetzelfde verlies meegemaakt, maar elk had zijn eigen unieke rouwproces. De tekst vertelt ons niet de reactie van Rabbi Jehosjoea op de woorden van zijn leraar. Voelde hij zich hij getroost? Of werd hij boos? Voelde hij zich genegeerd of verkeerd begrepen? We weten van andere midrasjiem dat Rabban Jochanan en zijn studenten, waaronder Rabbi Jehosjoea, een jesjiva in Javnè hebben opgericht (BT Gittin 56b) en een nieuwe vorm van jodendom hebben opgebouwd, die radicaal andere manieren bood om een ​​zinvol leven vorm te geven en om te gaan met existentiële crises, inclusief het omgaan met je eigen wangedrag en spijt. Een les van deze tekst is om ruimte te maken voor de veelheid van tegenstrijdige reacties op een crisis. De hoop van de tekst is dat emotionele en spirituele genezing mogelijk is.

De Tora-lezing van Sjabbat Nachamoe, sidra Waètchanan, wijst ons nog op een ander verhaal over genezing van gebrokenheid, terwijl het systeem om ermee om te gaan zelf kapot gaat. De sidra van deze week verwijst tweemaal naar hoe de Tien Woorden op stenen platen werden gegraveerd (Dewariem 4:12-13, 5:19). In andere delen van de Tora wordt dieper ingegaan op deze platen: Mosjé daalt de berg af met de platen die de Tien Woorden bevatten en ziet de mensen een gouden kalf aanbidden dat ze tijdens zijn afwezigheid hebben opgericht. Hij is geschokt en slaat de stenen platen kapot. Uiteindelijk roept God hem terug de berg op en ontvangt hij een tweede stel platen, die hij ongeschonden aan de Jisraëlieten overhandigt.

De Midrasj leert ons dat beide stellen platen, de gebroken en de hele, heilig zijn en onze aandacht en respect verdienen. Gebaseerd op een vers in de sidra van volgende week (Dewariem 10:2), leerde Rabbi Joseef dat "zowel de stenen platen als de fragmenten van de eerste platen in de Aron werden geplaatst" (BT Bava Batra 14b; zie ook BT Berachot 8b). De Jisraëlieten dragen de twee stellen letterlijk met zich mee, in het besef dat ze allebei bronnen voor richting en inspiratie in hun leven waren.

Als je je de hele platen en de gebroken scherven naast elkaar in de Aron voorstelt en ze als metaforen voor ons spirituele leven beschouwt, kun je je afvragen wat iemands gevoel voor betekenis verbreekt en hoe je het zou kunnen herstellen.

In een gesprek met aalmoezeniers in het Memorial Sloane Kettering Hospital in 1993, vertelde Rabbijn Harold Kushner over een andere midrasj van Avot de’Rabbi Nathan over het breken van de stenen platen. Volgens deze midrasj "keek Mosjé en zag dat het schrift van de tafelen vloog, en hij zei: 'Hoe kan ik deze tafelen aan Jisraëel geven?' Er staat niets op! Daarom pak ik ze op en sla ze kapot!”

In Kushners interpretatie van deze midrasj, was het op dit punt dat Mosjé de stenen niet meer kon dragen, en ze vielen uit zijn handen en verbrijzelden. De midrasj, legde Kushner uit, gaat over hoe een gevoel van doelgerichtheid in iemands leven van wezenlijk belang is voor hun veerkracht: "Als er een doel is voor wat je doet, kun je dingen doen die te moeilijk voor je zijn. Als er een gevoel van nutteloosheid is, als je niet zeker weet of je iets goeds doet, wordt zelfs een haalbare taak te moeilijk. Dus een van de dingen die we moeten doen om burn-out te voorkomen, is het herdefiniëren van succes.” (“Religious Resources for Healing”, The Caregiver Journal 10:3 [1993]).

Mosjé ervoer morele benardheid. Morele benardheid is een concept dat oorspronkelijk is ontwikkeld in het verpleegkundig beroep. Het doet zich voor "wanneer men weet wat het juiste is om te doen, maar institutionele beperkingen het bijna onmogelijk maken om de juiste handelwijze na te streven." (Andrew Jameton. Nursing Practice: The Ethical Issues [Englewood Cliffs] , NJ: Prentice-Hall, 1984], 6). De benardheid van Mosjé ging ook over zijn roeping; wat hij had geleerd over hoe hij mensen moest leiden, wat hij hen moest leren en hoe hij hun leven kon verbeteren, leek niet langer waar, of zelfs niet eens meer mogelijk. Toen hij, volgens de Midrasj, de mensen rond het gouden kalf zag dansen, vroeg hij zich af: "Hoe kan ik ze deze geboden geven?!" omdat hij wist dat ze meteen al het eerste gebod - om geen afgoden te aanbidden - zouden overtreden. Mosjé moest niet alleen de letterlijke stenen platen breken en vervangen, maar ook zijn eigen doel als leider herdefiniëren.

De Tora leert dat Mosjé de berg voor de tweede keer beklom. Terwijl de eerste platen vóór zijn komst werden voorbereid - in feite door God waren gemaakt vóór de schepping van de wereld, volgens de Midrasj - vereisten de tweede tabletten de medewerking van Mosjé bij hun schepping. Hij sneed de stenen en schreef de woorden. (Sjemot/Exodus 34:27-28)

Om een ​​gevoel van doelgerichtheid te herstellen, moest Mosjé in staat en bereid zijn om opnieuw te beginnen en zich anders te gedragen - net zoals Rabban Jochanan en Rabbi Jehosjoea zich verschillende manieren moesten voorstellen om met God en met elkaar om te gaan. Sjabbat Nachamoe biedt gedeeltelijk troost door ons te herinneren aan de flexibiliteit van de menselijke geest om op nieuwe manieren echte genezing en verandering te ervaren.

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right