Wajera 

Wajera 

commentaar BIJ Berésjit
- Wajéra
19 Heshvan 5784

Abraham en de machtige koning van Gerar

door 
Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis18 – 23

Het land wat wij gemakshalve met de beladen term Palestina (van  Romeins/Latijn Palestina’ = land van de Filistijnen) noemen was nooit een leeg gebied. Toen Abraham het land Kanaän binnentrok - het land dat hem ooit (toen hij Abram werd genoemd) aan zijn verre nakomelingen was beloofd – was híj een immigrant, evenals later zijn zoon en kleinzoon Isaak en Jacob. Abraham kwam in een land dat al door vele volken en volkjes was bewoond en al vele steden kende. Hij, zijn vrouw Saraï, zijn dienaren en de herders van zijn kudden waren nomaden. Ze moesten diplomatiek omgaan met hun omgeving. Een keer moest Abraham met een aantal bondgenoten zijn toevlucht nemen tot geweld. Dat was om zijn neef Lot uit de handen van Kedorlaomer, de koning van Elam, en zijn bondgenoten te redden. De edelmoedigheid van winnaar Abraham blijkt uit de houding tegenover de door deze koning Kedorlaomer verslagen en geplunderde inwoners van de stad Sodom: hij wilde niemand van de gevangen Sodomieten als slaaf houden en gaf al hun als buit afgenomen bezittingen terug (hfdst 15).

Abraham en de Filistijnen

We leren in de parasja Wajera 1 meer van Abraham kennen in zijn verhouding tot de Filistijnen die de kuststreek ter hoogte van Jaffa en Gaza bewoonden, vermoedelijk afstammelingen van bewoners van het eiland Kreta. Met name zijn verhouding met de machtige koning van de streek Gerar, in wiens gebied Abraham zijn tenten opzette, was speciaal. Toen Abraham in Gerar neerstreek liet de koning Avimelech (“mijn vader is koning”) Sara in zijn paleis brengen; Abraham zei immers – uit angst dat in het huis van de koning niet de ‘vreze Gods’ heerste, d.w.z. men niet terug zou schrikken voor moord of verkrachting van vreemdelingen - , dat zij zijn zus was, ‘de dochter van mijn vader maar niet van mijn moeder’ (vermoedelijk was ze wel een nicht, de dochter van zijn overleden broer Haran). Een boze droom onthulde de koning de waarheid, dat Saraï Abrahams vrouw was en hij gaf haar geschrokken terug samen met vele geschenken aan vee en zilver (hfdst 20).
Inmiddels had Abraham zich een reputatie opgebouwd van niet alleen een rijk en vermogend clanhoofd te zijn maar ook een bijzondere persoonlijkheid met een goede relatie met hogere machten. Toen er zich een conflict met Avimelech ontspon zien we Abraham krachtiger optreden, hij is niet bang meer voor de machtige Filistijn, die nu nota bene een verbond met hem wil sluiten van wederzijdse loyaliteit. Maar er is nog een belangrijk pijnpunt:

21: Maar wel maakte hij Abimelech verwijten over een waterput die Abimelechs knechten zich hadden toegeëigend. ‘Ik weet niet wie dat heeft gedaan,’ zei Abimelech. ‘U hebt er mij niets over gezegd en ik hoor er nu voor het eerst van.’ Toen schonk Abraham schapen, geiten en runderen aan Abimelech en sloten zij een bondgenootschap. Zeven ooilammetjes 2 zette Abraham apart. ‘Wat hebben die zeven lammetjes te betekenen die u apart hebt gezet?’ vroeg Abimelech hem, en hij antwoordde: ‘Door die zeven ooilammetjes van mij aan te nemen erkent u dat ik deze put hier heb gegraven.’ Omdat zij daar een eed zwoeren heet die plaats Berseba 3 .

Abraham staat open voor overleg en concessies, maar schuwt een assertieve zet niet. Uiteindelijk bewaren ze de vrede en gaan de bondgenoten vreedzaam uiteen.
Abrahams zoon Isaak (Jitschak) heeft later ook zijn eigen (frappant analoge) belevenissen in Gerar met Avimelech (zie de volgende parasja), maar treffend is zijn oplossing voor een vergelijkbaar conflict over waterbronnen met de herders van Avimelech; voor hem is strijd en onderverdeling niet de moeite waard, hij trekt zich terug en gaat naar waar voldoende ruimte is (zie hfst 26).

26 Ook Isaaks knechten gingen in het dal aan het graven en zij troffen er een bron met helder water aan. Maar de herders uit Gerar maakten ruzie met Isaaks herders. ‘Dat water is van ons,’ zeiden ze. Omdat hij daarover onenigheid met hen had gekregen, noemde hij die bron Esek. Toen groeven ze een andere put en ook daarover kregen ze ruzie; hij noemde hem daarom Sitna. Daarna trok hij verder, en weer groef hij een put. Hierover ontstond geen onenigheid. Hij noemde hem Rechobot, ‘want,’ zei hij, ‘nu heeft de Eeuwige ons ruimte gegeven in dit land en kunnen wij ons uitbreiden.’
Isaak deed steeds een concessie tot hij een conflictvrije ruimte vond.

We hebben hier een aantal modellen voor conflictoplossing getoond en gaan hier verder geen mooi moreel verhaal over houden in het licht van de huidige politieke situaties, die in schaal zo verschillen met de toenmalige halfnomadische samenleving. Maar moge de typische karakters van de aartsvaders u tot richtingwijzende gedachten stemmen

Noten

1.  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek  REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website  

2. Zeven lammeren: zeven is in het Hebreeuws sjeva, wat ook doet denken aan de stam voor zweren: sjeva, eed = sjevoea

3. Berseba, Hebreeuws Beër=sjeva = bron van de eed of bron van zeven

4. Een amusante aanvulling in Genesis Rabba: de herders beslisten dat voor wiens vee het water zou rijzen, voor hem zou de bron zijn; en het water rees voor Abrahams kudden.

Afbeelding: Een detail uit Abimelech-King-of-Gerar-Restores-Sarah-to-Abraham-Isaac-Isaacsz-1640

RC nov 2023

Archives

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right