7e dag Pesach

commentaar BIJ Sjemot
- Besjallach
VOOR Pèsach
19 Nisan 5781

Bevrijding is een reis

door 
Rabbijn Dvora Weisberg

Stel je voor dat je net uit de slavernij bent bevrijd. Na eeuwen van onderdrukking ontsnappen jij en je volk en jullie vluchten naar het onbekende in de hoop op een beter leven. Je onderdrukkers volgen je, in de hoop je terug te brengen in slavernij of misschien zelfs om je te doden. Net wanneer je alle hoop verliest, gaat er een ontsnappingsroute voor je open: je steekt over naar veiligheid en je onderdrukkers verdrinken.

Hoe voel je je dan? Hoe reageer je op wat met recht een wonder mag heten? Voor de Jisraëlieten, die zich nu op de andere oever van de Rietzee hadden verzameld, was het antwoord helder:

"Toen zong Mosjé, samen met de Jisraëlieten, dit lied ter ere van de Eeuwige (...) Ik wil zingen voor de Eeuwige, Zijn macht en majesteit zijn groot!" (Sjemot/Exodus 15:1).

Kunnen we dit gedicht waarderen als een bevestiging van Gods toewijding aan Jisraëel? Of huiveren we alleen maar bij een lied dat de overwinning viert zonder oog voor de keerzijde: de vernietiging van het Egyptische leger? Laten we eens naar enkele thema's van het Lied van de Rietzee kijken.

Hoewel het pas halverwege het lied wordt genoemd, biedt de angst voor de achtervolgende vijand een verzachtende omstandigheid voor het gebrek aan interesse - of zelfs leedvermaak - voor de dood van de Egyptenaren. Sjemot 15:9 verbeeldt de gedachten van het Egyptische leger terwijl dat de vluchtende Jisraëlieten nadert: “Ik achtervolg hen, haal hen in, verdeel de buit. Weldra wordt mijn wraaklust bevredigd, ik trek mijn zwaard, ik onderwerp hen weer."

Toen ze hun achtervolgers zagen, dachten de Jisraëlieten echt dat hun einde nabij was. Ze zeiden tegen Mosjé: "Waren er in Egypte soms geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven?" (Sjemot 14:11).

De wreedheid van de Egyptenaren lokt Gods gewelddadige reactie uit en rechtvaardigt die ook. Een midrasj (Babylonische Talmoed, Megilla 10b) vertelt het verhaal dat God de engelen berispt omdat ze zingen op het moment dat de Egyptenaren verdrinken. Maar er volgt geen goddelijke kritiek op het lied van de Jisraëlieten. De rabbijnen begrepen dat je op een moment van bevrijding van de dood of de slavernij redelijkerwijs niet mag verwachten dat de onderdrukte medelijden met de onderdrukker voelt.

Het grootste deel van het lied gaat over Gods kracht en majesteit. Toen de Jisraëlieten de Egyptenaren zagen, vergaten ze de kracht van God die in de tien plagen tot uiting kwam. Het enige waar ze aan konden denken, was het directe gevaar dat ze liepen. Het Lied van de Rietzee toont een diepgaand besef van Gods aanwezigheid onder hen. God is Jisraëels ‘sterkte’ en ‘beschermer’ (Sjemot 15:2). “Wie onder de goden is Uw gelijke, Eeuwige? Wie is Uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig, wie dwingt zoveel eerbied af met roemrijke daden, wie anders verricht zulke wonderen?" (Sjemot 15:11). Deze woorden, die nu deel uitmaken van onze liturgie, tonen de verwondering van mensen die wat onmogelijk leek, hebben zien gebeuren.

Sjemot 15:1-18 wordt gepresenteerd als het antwoord op de oversteek van de Rietzee en de vernietiging van Jisraëels achtervolgers, maar het is geschreven met het oog op het verleden, het heden en de toekomst van Gods relatie met Jisraëel. Het lied erkent Jisraëels bevrijder niet alleen als 'mijn God', maar ook als 'de God van mijn voorouders' (Sjemot 15:2) en spreekt over de manieren waarop God Jisraëel in de toekomst zal beschermen en verzorgen, inclusief het leiden en begeleiden van Jisraëel naar zijn toekomstige thuis: de plaats van Gods ‘heilige verblijfplaats’ en ‘heiligdom’. Gods bevrijding van Jisraëel uit de hand van zijn directe vijanden (die, interessant genoeg, in het lied niet expliciet benoemd worden als Egyptenaren) heeft indruk gemaakt op de volkeren die Jisraëel in de toekomst zal ontmoeten: het volk van de Filistijnen, Edom, Moav en Kenaän.

Waarom kozen de vroege rabbijnen (Babylonische Talmoed, Megilla 31a) deze lezing voor de zevende dag van Pesach? Samen met de lezing voor de eerste dag (Sjemot 12), voltooit de traditionele lezing voor de zevende dag (Sjemot 13-14) het verhaal van het vertrek van de Jisraëlieten uit Egypte. Het verhaal en het lied herinneren ons eraan dat we niet in één enkel ogenblik de bevrijding van een onderdrukkende heerser of een onderdrukkend systeem bereiken. Vrijheid wordt veeleer bereikt door een reis, een reeks stappen die ons steeds verder van onderdrukking verwijderen. De Jisraëlieten haastten zich uit Egypte, bezorgd over de achtervolging. Pas aan de andere kant van de Rietzee konden ze zichzelf gaan zien als vrije mensen die verder konden trekken naar het onbekende. En, zoals we weten door verder in de Tora te lezen, zelfs daarna koesterden ze nog twijfels over zichzelf, over Mosjé en over God.

We begrijpen wel waarom de Jisraëlieten een lied zongen op het moment van hun bevrijding. Wat bracht de auteur van Sjemot ertoe ons niet alleen te vertellen dat de Jisraëlieten op dat moment zongen, maar dat ze zelfs een compleet lied aan toekomstige generaties overleverden? Wat maakte het zo belangrijk dat het in de dagelijkse liturgie werd opgenomen? Het Lied van de Rietzee *) herinnert toekomstige generaties eraan dat onderdrukking kan worden overwonnen en dat het goed is als bevrijding met dankbaarheid wordt beantwoord. Het legt ook een moment vast waarop de hele gemeenschap van Jisraëel, zelfs degenen die nog niet geboren waren, volgens een midrasj (Babylonische Talmoed, Berachot 50a) een moment van geloof en dankzegging met elkaar deelden.

Is er een betere manier om Pesach, het Feest van de Vrijheid, mee te besluiten?


*) Lees ook de aanvulling op het lied van Mirjam door Marcel Poorthuis

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right