Achtste dag Pesach

commentaar BIJ Dewarim
VOOR Pèsach
20 Nisan 5782

Mag ik altijd opeisen waar ik strikt recht op heb?

door 
Rob Cassuto

De achtste dag van Pesach valt dit jaar op shabbat. Gelezen wordt Dewariem/Deuteronomium 15:12-16:20, bepalingen rond vrijlating van slaven, het offeren van eerstelingen en de drie pelgrimsfeesten. De haftara (aanvullende profetenlezing) is het bekende visioen van Jechezkeel over de herrijzenis van de vallei van dorre beenderen tot het levende volk Israel. De focus is die dag op de komende tijden van verlossing. In de periode tussen Pesach en Shawoeot tellen we Omer vanaf de tweede dag van Pesach tot de vijftigste dag: het Wekenfeest (Hebreeuws: Shawoeot). Iedere dag zeggen we: ‘Baroech ata Hashem elohenoe melech ha-olam asher kied'shanoe be-mitswotav we-tsiwanoe al sfirat ha-omèr. Hajom jom - hoeveelste dag het is - la-omer.

Velen gebruiken deze periode als een tijd van dagelijkse reflectie aan de hand van de sefirot van de Eets Chajiem (levensboom), waarvoor Rabbi Simon Jacobson een handleiding heeft geschreven (1). De periode van 49 dagen is een rouwperiode ten gevolge van de plotselinge dood van 24.000 leerlingen van de beroemde leraar Rabbi Akiva, tweede eeuw gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed) zegt, dat dit het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. Mogelijk werden ze ook als opstandelingen tegen de Romeinen omgebracht, evenals Akiva zelf, in de opstand van Bar Kochwa omstreeks het jaar 135 (2). Nu werd na de tempelverwoesting van het jaar 70 de hele stad Jeruzalem door de legers van keizer Hadrianus met de grond gelijkgemaakt.

Voorbij aan de maat van het recht

De alom gerespecteerde Talmoedgeleerde Rabbi Jochanan (3e eeuw) zei, dat Jeruzalem alleen daarom verwoest was, ‘omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht' (Bava Metzia 30b). Waar gaat de uitspraak van Rabbi Jochanan om?

Waar gaat het nu om? Dat je ook op dat enorme gebied, waar de Tora of – ruimer en universeler - het recht geen gedragsregels of richtlijnen geven je toch handelt in de geest van de Tora of het recht. Soms is het zelfs nodig om af te zien van de regels en rechten die de Tora of het recht je formeel geven, als ze leiden tot onrechtvaardigheid of onmenselijkheid. Soms doe je meer dan de Tora of het recht vraagt, soms vraag je minder dan de Tora of het recht toekent. We komen hier een belangrijk moreel principe tegen, dat ook tegenwoordig nog alle gelding heeft. Dat is het principe, lifnim misjoerat ha-din voorbij aan de maat van het recht (3 ).


Raf Safra en Herr Beer


Een anekdote uit Talmoedische tijd zegt: Rav Safra had een hoeveelheid wijn te koop en een potentiële koper kwam langs, net toen hij het Shema-gebed zei. De koper zei: ik bied zo en zoveel, maar Rav Safra wilde zijn gebed niet laten onderbreken en bad door. De koper, kennelijk een niet-jood, dacht dat zijn bod werd afgewezen, dus hij deed een hoger bod. Dat ging zo nog een tijdje door, het bod werd steeds hoger. Toen Raf Savra klaar was met zijn gebed, zei hij, ‘Al bij je eerste bod besloot ik, dat ik dat aanvaardde, dus meer dan dat mag ik niet aannemen’.

Een vergelijkbaar verhaal stamt uit modernere tijden. De industrieel Beer had aan de vooravond van de Frans-Duitse oorlog van 1870 grote belangen in koper en andere metalen, die naarstig gezocht werden door de Duitse wapenindustrie. Op vrijdagavond, net toen Beer zijn kantoor had afgesloten en naar huis was voor de sjabbat, kwam er een telegram van het Ministerie van Oorlog op zijn kantoor met een aanbod om al zijn metalen aan te kopen. Telegram op telegram kwam daarna die zaterdag aan, elk met een hoger bod, wat niet werd beantwoord i.v.m. de sjabbat.
De volgende zondagochtend las Beer de telegrammen door en berichtte, dat hij i.v.m sjabbat niet had geantwoord, maar dat hij het eerste bod al zou hebben geaccepteerd. De minister was zo onder de indruk van dit levend Jodendom, dat hij het bedrijf van Beer als eerste leverancier aanstelde, wat leidde tot een wereldwijde expansie van Beers firma. (4)

Lifnim misjoerat ha-din, voorbij aan de maat van het recht.

Nog een andere Talmoedische anekdote haalt Rabbijn Yehuda Aschkenasy z.l. aan in zijn afscheidscollege als hoogleraar als illustratie van dit beginsel lifniem mesjoerat hadien. (5) Rabba bar bar Chana overkwam het dat sjouwers door onvoorzichtigheid een vat wijn aan duigen lieten vallen. Hij nam hun kleren in beslag (om daarmee de prijs van de wijn vergoed te krijgen). Men ging Rav (een van de gezaghebbende rabbijnen uit de Talmoed) vertellen wat hij gedaan had. Die zei aan bar bar Channa: geef de sjouwers hun kleren terug. Deze wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: ja, want er staat (Spreuken 2,20): ‘opdat je gaat in de weg van de goeden'. Bar bar Channa gaf de sjouwers hun kleren terug. Die zeiden hem: Wij zijn arm en we hebben de hele dag gesloofd en we zijn hongerig en hebben niets. Daarop zei Rav tegen Rabba bar bar Chana: Ga en geef ze hun loon. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: ja, want de tekst gaat aldus verder: ‘En hoedt de wegen van de rechtvaardigen' (Bava Metsia 83a).

Aschkenasy legt uit: Rav besliste aldus, ook al is heel goed vol te houden dat de sjouwers door hun onvoorzichtigheid aansprakelijk waren en misschien niet langer recht hadden op loon. Het verhaal wil zeggen dat van ons meer gevraagd wordt dan we strikt volgens het recht verplicht zijn. En soms worden we opgeroepen om minder te vragen dan waar we strikt genomen recht op hebben. De Talmoed duidt dat aan met de uitdrukking lifniem mesjoerat hadien, dat wil zeggen: dat we het strikte recht steeds moeten duiden in de context van de actuele omstandigheden. De Frans-Joodse filosoof Levinas noemt dit de asymmetrische verantwoordelijkheid.


Er is iets bijzonders met dit beginsel van Lifnim misjoerat ha-din aan de hand. Geldt de wet voor allen, het beginsel van lifnim misjoerat ha-din kan niet worden afgedwongen, het spoort ieder individu persoonlijk aan om zijn verantwoording te nemen in iedere concrete situatie, om meer te doen of te laten dan waartoe hij juridisch of volgens de wet verplicht of gerechtigd is. Deze rabbijnse ethiek houdt een correctie in op het idee, dat ik mag doen wat ik wil, zolang ik de ander niet schaadt. De ander is dan slechts een stoorzender van mijn vrijheid. Het gaat er dan om mijn medemens te zien als constitutief voor mijn vrijheid en niet als een bedreiging. (6)

noten
(1) Lees op mijn website meer hierover.
(2) Zie http://www.meaningfullife.com/ , waarop u ook een My Omer Counting App kunt downloaden.
(3) Genoemd ook door Rashi ad Dewarim/Deut. 6:17- 18, ‘Gij zult nauwgezet de geboden van de Here, uw God, onderhouden en de getuigenissen en de inzettingen, die Hij u opgelegd heeft; 18 gij zult doen wat recht en goed is in de ogen des Heren', welke laatste zin Rashi uitlegt als een aanvulling op het eerste vers, en wel als: lifnim misjoerat ha-din voorbij aan de maat van het recht.
(4) De twee anekdotes zijn overgenomen uit: My Jewish learning, Jewish ethical principles for business . ook te lezen als ‘The basic principles of Jewish business ethics' van prof. David Golinkin, op de site van het Schechter Institute .
(5) Rabbijn prof. Y. Aschkenasy: Heroriëntatie van de theologie, een doorgaand leerproces, openbaar afscheidscollege, 1989.
(6) Aldus ongeveer prof. Marcel Poorthuis: Binnen de maat van het recht , in: Tenachon, herdenkingsnummer van Tenachon rond Yehuda Aschkenasy, augustus 2012.

Archives

©2022 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right