Besjalach

Besjalach

commentaar BIJ Sjemot
- Besjallach
15 Shevat 5784

‘hij vreesde God niet’

door 
Rob Cassuto

Sjemot/Exodus 13:16-18

In het begin van de parasja Besjalach 1  is het allereerste Pesach net achter de rug en de Israëlieten doen hun eerste ervaringen op als onafhankelijk volk. De parasja is een indringende beschrijving van een reeks beproevingen, waarin het volk kennis maakte met wat het is self supporting te zijn in een vijandige omgeving. In pakweg drie maanden kregen de kersverse woestijnreizigers een niet misse training in overleven.
De parasja beschrijft vier uiterst benarde situaties die gepaard gaan met wanhoop, klachten, protesten, bijna-rebellie, maar die worden afgesloten met wonderlijke uitreddingen: eerst geeft de Rietzee doortocht en ontsnapping aan de Egyptenaren, daarna wordt bitter water zoet, wat later ligt manna ligt voor het oprapen en kwakkels vallen uit de lucht, vervolgens springt water uit de rots en lest onhoudbare dorst. Aan het slot van de parasja winnen de ongeoefende mannen met veel moeite en be-ezrat Hasjem hun eerste strijd van de krijgers van het verraderlijke volk van Amalek. Daar gaan we verder op in.

De zonde van Amalek

De strijd van de Eeuwige zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie, staat er in Exodus en ook: de Eeuwige zal de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel uitwissen (Ex.17:14-16).
In Deuteronomium wordt de verraderlijkheid en gemeenheid van Amalek nog gespecificeerd:
Devariem/Deuteronomium 25:18: ‘Hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet’.
Het uitwissen van de herinnering aan Amalek door de Eeuwige, vermeld in Exodus, komt in Devariem/Deuteronomium neer op een opdracht aan Israël om dat zelf metterdaad uit te voeren.
Deuteronomium 25:19 (HSV) ‘Als de Eeuwige, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de Eeuwige, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het zó zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!’

Amalek is gaan staan voor de belichaming van de oervijand van Israël. Die oervijand moet, zoals het gebod in Deuteronomium wordt uitgelegd, welhaast genocidaal worden uitgeroeid. Zo letterlijk heeft dan ook de opdracht van Samuel aan koning Saul geluid in 1 Koningen 15. Hoe de geest van Amalek door de geschiedenis heeft gewaaid is een apart verhaal. Elders ben ik daar dieper op ingegaan 2 . Hier willen we ons verder verdiepen in wat nu het bijzondere kwaad was in de daden van de Amalekieten in deze parasja. Wat maakt de zonde van dit woestijnvolk zó bijzonder dat ze dit radicale divine bevel inzake hun uitroeiing over zichzelf hebben afgeroepen?

Wat betekent ‘hij vreesde God niet’?

Aan de hand van de 20ste eeuwse bijbelcommentator Nechama Leibowitz (Studies in Shemot/Exodus) kunnen we misschien een stapje verder komen. Zij zoomt in op het slotzinnetje van Deuteronomium 25:18  Hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet. (We lo jar'ee Elohim ). Het is haar opgevallen, dat waar het in de Tora heidense volken of personen betreft de vermelding van de vrees voor God, jirat Hasjem , maar vier keer voorkomt. Dat moet dan iets betekenen.

We gaan die vier keer even na:
Genesis 20:11 Hier verklaart Abraham aan Avimelech, dat hij bang was, dat er in het huis van de laatste geen vreze Gods zou zijn, reden waarom hij heeft gezegd, dat zijn vrouw Sara zijn zuster was.
Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden’. dacht hij.
Genesis 42:18  Jozef zegt in zijn hoedanigheid van Egyptische onderkoning tegen zijn broers, die hem niet herkend hebben dat hij hen vrijlaat uit de gevangenis en hun leven spaart en hij zendt ze weg met het zo benodigde koren.
‘Doe dit, zodat u in leven blijft, want ik vrees God’, zei hij.
Exodus 1:17 Gaat over de vroedvrouwen, die de levens van de pasgeboren Israëlitische jongetjes sparen ondanks het bevel van de Farao om hen te doden. Nechama gaat uit van de opvatting, dat de vroedvrouwen Sjifra en Pua Egyptische vrouwen waren (dit is een twistpunt onder de uitleggers). Er staat: ‘De vroedvrouwen vreesden echter God en deden niet wat de koning van Egypte tot hen gesproken had, maar lieten de jongetjes in leven’.
De vierde keer is dan onze passage van Deut 25:18, ‘en hij (Amalek) vreesde God niet' 

Wat is dus de kern van godvrezendheid? Het gaat over de houding van de sterke en de machtige tegenover de zwakkere en de vreemdeling. Waar de vrees voor God niet bestaat loopt de vreemdeling in een vreemd land gevaar gedood, beroofd of verkracht  te worden. Niet-godvrezend is de machtige die de zwakke vreemdeling, die aan hem overgeleverd is, zonder enige reden doodt, misbruikt en nodeloos laat lijden. Godvrezendheid betekent, dat de machtige partij menselijk handelt en dat hij de weerloze (Joodse) vreemdeling in een vreemd land in zijn lichamelijke integriteit respecteert, veiligheid biedt en goed behandelt.

Dat Amalek God niet vreesde, betekende, dat Amalek niet zomaar alleen vijandig optrad, maar veel verder ging dan dat: hij overviel de net aan de Egyptenaren ontkomen nog in de strijd onervaren Israëlieten volkomen onverwacht en zonder reden, want de Israëlieten waren niet op hun gebied en vormden voor hen geen bedreiging. Daarbij overvielen ze de achterhoede, de groep van de zwakkeren, die dorstig, hongerig en uitgeput voortgingen. Hoe wreed ze waren, vermeldt de Tora niet, maar de midrasj heeft het over castratie van de mannen om zo de spot te drijven met de besnijdenis, aldus vermeldt Rasji ad locum.

Nechama Leibowitz heeft het niet over de vraag of het volk Amalek nog bestaat of welke groep of natie als zodanig geïdentificeerd en vernietigd moeten worden. Wel heeft ze het over het archetype “Amalek”. Ze zegt: ‘Het “Amalek”, waartegen de Almachtige de eeuwige oorlog heeft verklaard is niet meer een etnisch of racistisch concept, maar het archetype van de perverse agressor die in iedere generatie de zwakken en weerlozen laat lijden'.

In haar redenering wordt Amalek tot een universeel criterium, waaraan we menselijk gedrag kunnen toetsen en dat een omschrijving geeft van waar we als mens(dom) goddeloos te werk gaan. Van macro- tot microniveau kan men zich afvragen: is er sprake van barbaars en zinloos geweld tegenover zwakke en weerloze mensen? Hoe vaak is dan bij hoevelen overal in de wereld archetypisch Amalek geweld waar te nemen? Het lijkt wel nooit op te houden.
Iedere generatie is er werk aan de winkel en mogen en moeten we er tegen optreden, maar dan toch zonder te vervallen in overhaaste, ongewettigde of veralgemeniserende stereotypering van de vijand en zonder gebruik te maken van de barbaarse methoden die Amalek zelf heeft toegepast.

Noten

De afbeelding: The_Phillip_Medhurst_Picture_Torah_423._Joshua_fighting_Amalek._Exodus_cap_17_vv_10&13.

1.  Verschillende commentaren op de parasja Waëra zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA    , deel 1 Genesis en Exodus

2. zie mijn uitgebreide artikel over Amalek. Op mijn website

3. Over het algemeen probeer ik de politiek niet expliciet in mijn commentaren te laten doorklinken; de lezer kan zijn eigen lijnen trekken naar de huidige politieke situatie. In dit geval is het gebeuren van de laatste tijd zo indringend, dat ik een uitzondering  maak: de pogrom van 7 oktober 2023 van Hamas op de honderden onschuldige jonge feestvierders en vreedzame kibboetsiem aan de grens met Gaza doet mij erg denken aan de verraderlijke overval van Amalek op de weerloze achterhoede van de Israëlieten. Ook die zogenaamd vrome Islamitische Hamasaanhangers vreesden God niet.

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right