

Deuteronomium / Devariem 7:12–11:25
In de parasja 1 zet Mosjee zijn lange laatste toespraak tot de Israëlieten voort. De bejaarde leider herinnert er herhaaldelijk aan, hoe de Eeuwige het volk met machtige daden heeft beschermd, en liefheeft. En het welzijn van land en volk zal bevorderen, mits men de geboden en verboden in acht neemt.
De leidsman memoreert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj; maar ook de zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, die met smeekbeden van hem, Mosjee, bewogen moest worden om het volk te sparen. Aan het slot van de parasja keert Mosjee terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden. Maar als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen, dan zullen de hemelpoorten worden gesloten en zal er geen regen meer vallen. Deze laatste passages (Devariem 11:13-21) vormen van oudsher de tweede alinea van het dagelijkse sjema-gebed.
Een samenbindende autoriteit
De toon van waarschuwing, van vermaning om de geboden te volgen en ontzag te hebben voor de Eeuwige vormt de grondtoon van het boek Devariem. De vele geboden en verboden, de ethische zowel als de rituele, zijn onmisbaar geweest voor de volksvorming. Ze beogen anarchistische willekeur in te perken en het recht van de sterkste te beknotten ten gunste van meer omzien naar de ander; dat vereiste een hoge psychische inspanning met name om de agressieve krachten te beheersen en erotische driften te kanaliseren. Alleen dan is een geordende en leefbare samenleving mogelijk. In de tijd van Mosjee was dit alleen te realiseren onder de onbetwistbare autoriteit van een machtige en strenge rechtvaardige God, die als extern en verheven wordt ervaren en met een mengeling van vrees en liefde benaderd moet worden. Deze ervaring met de transcendente vader-autoriteit is de essentie van de ‘Sinaj-experience' van Mosjee en de Israëlieten. Het unieke van die ervaring is, dat dit gebiedende gezag niet een menselijke heerser was, een dictator of een vergoddelijkt persoon, die na zijn dood of ten gevolge van een coupe vervangen kon worden door een andere, die vanuit persoonlijke willekeur weer andere regels kon geven. Dit gezag kwam van een boven de tijd geheven en onzichtbare instantie, die bovendien de enige in zijn soort was, de ene God - en niet een heel pantheon –, een vader-God, die werkelijk oog had voor gerechtigheid, maar die ook compassie kende, een God, die niet een van de amorele goden was, die spelen met het lot van de mensen.
Geen grote regisseur meer
Maar hoe gaan we nu om met de vader-God van Sinaj? Momenteel is in deze merendeels seculiere wereld het geloof in een dergelijke leidinggevende, beschermende, liefhebbende, maar rechtvaardig straffende autoriteit vrijwel teruggeweken naar de uithoeken van de westerse samenleving. Maar diep in het innerlijk leeft iets ervan vaak onbewust voort.(1) We geloven niet meer in een gepersonaliseerde godheid in de hemel of in een grote regisseur, die alles vooruit bepaalt, alle goede mensen beschermt en eerlijkheid beloont en slechte daden onmiddellijk of ooit later - in een hiervoormaals of in een hiernamaals - straft of die rampspoed als test oplegt. Maar de boodschap die de waarden van liefde, rechtvaardigheid en compassie voor de ander wil wekken is ooit gehoord en als opdracht in het hart geplant en klinkt door, van generatie op generatie. In het Jodendom is de essentie gestold in de woorden van de Tora.
Onze eigen verantwoordelijkheid
Misschien mag je het in de sfeer van de kabbala zo uitdrukken: de vader-God van Sinaj heeft zich teruggetrokken uit de wereldruimte 2 en ons met zijn boodschap achtergelaten. Ons zodoende terugwerpend op onze eigen menselijke verantwoordelijkheid. Liefde, compassie en rechtvaardigheid verwachten we niet meer uit den hoge, maar moeten we zelf aan elkaar in praktijk brengen. Maar daarmee is het verhaal niet af, want ons vermogen om te kennen en te doen is eigenlijk heel begrensd. We mogen onze geest en ons hart toch niet afsluiten voor het transcendente en we mogen een principiële openheid niet prijsgeven, maar die moeten we koesteren. We moeten blijven speuren naar mogelijke tekenen van Zijn werkzaamheid in de wereld en in onszelf, luisteren naar signalen van zin en opdracht en hopen op het geschenk van genade.
En we blijven in ons ochtendgebed zeggen, dat de Eeuwige één is, d.w.z. dat uiteindelijk alle verdeeldheid, tweedeling, duizenddeling, dat alle polariteit, alle diversiteit omvat wordt door het onpeilbare Ene. En ‘het ontzag voor Zijn Naam is het begin van de wijsheid' (jirat Hasjem resjiet chochma, Misjlee/Spreuken 1:7) is nog steeds een uitspraak die een juiste inschatting van onze nederige positie in de kosmos bevordert.
Sjabbat sjalom!
noten
1. In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2 en elders op de website van stichtingpardes.nl zijn nog andere commentaren op Ekev te vinden
2. Het begrip tsimtsoem
RC herzien aug 2024