Emor

commentaar BIJ Wajikra
- Emor
17 Iyar 5781

Brood, ongedesemd en gedesemd

door 
Rob Cassuto

In de parasja Emor 1 vinden we een aantal voorschriften en bepalingen over priesters en de offergaven. Ook de hoogtijdagen passeren de revue, de sjabbat, Pesach, Sjawoeot, Rosj Hasjana, Jom Kipoer en Soekot. Tenslotte volgen bepalingen over de twaalf toonbroden en wordt nog eens teruggekomen op het ‘oog voor oog, tand voor tand etc.', de Lex Talionis, waarover we eerder in het commentaar op de parasja Misjpatiem hebben gesproken.

De feesten

De tekst maakt een zeer oude indruk, want de drie pelgrimsfeesten, Pesach, Sjawoeot en Soekot worden hier vooral als oogstfeesten beschreven. De nu gebruikelijke namen worden daar niet gebruikt; wel wordt het Pesachoffer genoemd. Pesach wordt gevierd ten tijde van de gerstoogst en heet hier het feest van het ongezuurde brood.
Sjawoeot ofwel het Wekenfeest, was oorspronkelijk een offerplechtigheid ten tijde van de tarweoogst en heeft in deze parasja nog geen naam; elders in de Tora wordt het betiteld als het oogstfeest of het feest van de eerstelingen of inderdaad het wekenfeest.
Soekot, het loofhuttenfeest, heeft ook nog niet zijn huidige naam, al wordt wel het verblijf in tijdelijke hutten, soekot, verordend, die mogelijk afstammen van de provisorische hutten op de oogstvelden, waarin de boeren en hun knechten de nacht overbleven tijdens de late oogst. Ook was Soekot een smeekfeest voor voldoende regen.
Het is kenmerkend voor het jodendom, dat deze landbouwfeesten in de loop van de jaren zowel een geschiedenis-aspect kregen als ook een spirituele betekenis. Het oude herdersfeest in de lente werd vooral herdenking van de uittocht uit Egypte en meer allegorisch een beeld van uiterlijke en innerlijke vrijwording. Het latere oogst- en regenfeest in de herfst moest daarnaast vooral gaan functioneren als herinnering aan de tocht door de woestijn en als verwijzing naar de afhankelijkheid van de mens van de natuur. Op het Wekenfeest, Sjawoeot dat binnenkort aanbreekt, gaan we wat verder in.

Sjawoeot

In de parasja Emor wordt het meest van alle feestvermeldingen in de Tora in detail ingegaan op wat er op Sjawoeot precies aan offers moet worden gebracht als dank voor de nieuwe graanoogst. Opvallen vooral het aanbieden van twee broden. Het feest wordt in het geheel nog niet in verband gebracht met het geven van de Tora, waar nu het accent ligt. Het is nog niet chag matan Tora, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinai aan het volk werd geopenbaard.

Hoe komt het, dat – blijkbaar in latere tijd – dat verband werd gelegd?
Historisch bekeken, lijkt het aannemelijk, dat een proces van losmaking van de landbouw een rol speelt, een proces dat is begonnen, in ieder geval versneld, in de eerste eeuw van de gewone jaartelling, na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Het centrum van de offergaven was daarmee vervallen en sowieso woonde buiten het beloofde land al een behoorlijke diaspora, die alleen nog maar toenam. De tempel was er niet meer, maar de Tora kon niet vernietigd worden en reisde altijd mee. Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag.

Van matsot naar gerezen brood



De Rabbijnen begonnen eens te rekenen: als de uittocht uit Egypte begonnen was op 14 Niesan, in de lente, en je telt daarbij zeven weken op – dat tellen wordt zelfs uitdrukkelijk in de Tora genoemd -, dan moet het volk na zeven weken reizen in de woestijn aangeland zijn bij de Sinai. Dan moet er toch een verband bestaan met wat er op de datum van het Wekenfeest, 6/7 Siewan, op de Sinai is gebeurd, de bekendmaking aan het volk van de Tien Geboden, waarna aan Mozes de vele voorschriften van de Tora werden onthuld. Een indicatie vinden de uitleggers op het rituele vlak. Op Pesach worden ongedesemde broden gegeten, de matses, ‘matsot', niet gerezen broden; ze zijn als het ware nog maar half af. Op Sjawoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, nu gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk is voorgeschreven. De broden zijn nu ‘af'. Dat verwijst naar een verband, naar een ontwikkelingsrelatie tussen Pesach en Sjawoeot. Zoals de matsot nu hun voltooiing vinden in de gerezen broden op Sjawoeot, dat het hoogtepunt markeert van de oogst van het graan dat de basis is van het fysieke bestaan, zo is de uittocht uit Egypte waarmee de bevrijding is begonnen na zeven weken voltooid met de schenking van de Tora, die de basis is voor het spirituele leven.

Vrijheid en bestemming

Als we deze relatie tussen Pesach en Sjawoeot nog wat verder trekken, dan kunnen we zien, hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een leidraad van gekozen begrenzing. De Israëlieten reisden uit de slavernij niet in de wilde weg de leegte van de woestijn in. Welbewust voerde Mosjee hen naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze zouden kunnen horen hoe hun vrijheid een basis te geven in essentiële waarden en vorm te geven in leefregels om samen een goede samenleving te vormen. De tweede bestemming was het beloofde land, dat we nu wellicht mogen ‘ontgeografiseren' als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaanse toekomst, die hoe schimmig ook toch ergens als een vonk van verlangen blijft gloeien.

Maar ook vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot moeten ontworstelen heeft een bestemming nodig, en misschien is Sjawoeot een goede gelegenheid om nog eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd'.

Noot

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Emor zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website  RC herzien april 2021

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right