Haäzinoe

Haäzinoe

commentaar BIJ Dewarim
- Haäzinoe
6 Tishri 5784

Een laatste waarschuwing

door 
Rob Cassuto

Devariem/Deuteronomium 32:1–52

De parasja Haäzinoe bestaat grotendeels uit de poëtisch getoonzette laatste lering van Mozes, zijn zwanenzang. Het bestaat uit drie episoden.

De eerste brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen, dat Zijn bijzondere bescherming verdient: "zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt". Dan volgt een waarschuwende beschrijving van de voorspoed waardoor "Jesjoeroen (= Israël) vadsig en vet (werd), het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots”.

Dan komt de wending naar de tweede episode: de vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Eerder in Deuteronomium wordt eveneens het beeld van de arend daartoe gebruikt, nu als agressieve aanvaller, (28:49): "Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt. De twee gezichten van de arend ….

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden komt de derde episode, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven.
Het motief voor deze wending is dat de vijanden van Israël niet misleid zouden worden en hun overwinning van het arme volk aan zich zelf zouden toeschrijven en hier niet de wil en de hand van de God van Israël in zouden zien. Het doet denken aan het argument waarin Mozes God weet te vermurwen om Zijn volk na de afvallige verering van het gouden kalf niet ten prooi aan vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?’" Daarnaast wil God met zijn rampspoeden Israël laten beseffen, dat de nagejaagde afgoden geheel machteloos zijn. Steeds is de terugkeer naar de strenge maar uiteindelijk immens liefdevolle Schepper de enige uitredding.

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds door de keuze die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor de afval de vreselijkste rampspoeden, die in geuren en kleuren beschreven worden.

In deze sfeer zijn ook de termen en beelden van het leerdicht straf, krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Er schijnt door de poëtische tekst een paradox door: hij is bedoeld als laatste waarschuwing en tegelijk lijkt het een voorspelling, dat deze waarschuwing niet zal worden gehoord en onvermijdelijk de weg van rampspoed zal moeten worden afgelegd.

De God en zijn geboden die óf gevolgd worden óf in de wind geslagen worden ten gunste van de afgoden (in ruimste zin), wie en welke zijn dat? Slaat het vooral op de strikte inachtneming van de 613 mitswot die uit de Tora gedestilleerd zijn en op de exacte opvolging van de regels van de Sjoelchan Aroech? Of geldt het vooral voor het luisteren naar de stem van het ethische hart dat onlosmakelijk versmolten is met de goddelijke stem, die door Mozes en Israël is gehoord en die opriep om de essentie zoals die toen is begrepen te praktiseren? En resoneert die stem niet nog steeds in ons eigen hart? Maar hij wordt zo vaak niet gehoord. We luisteren nog steeds niet genoeg naar de resonantie van de grote stem, die ons oproept de schepping en haar schepselen met zorg en liefde te behandelen. En dan zullen rampspoedige gevolgen niet uitblijven.

RC bewerkt sept 2023

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right