Haftara Hosjea 11:7-13:5

commentaar BIJ Berésjit
- Wajétsé
7 Kislev 5782

Vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst

door 
Rob Cassuto

Hosjea leefde evenals Amos in de 8ste eeuw BCE. Toen waren er twee rijken, het welvarende noordelijke rijk Israël onder koningen als Achav en het zuidelijk rijk Juda onder koningen als Chizkia. Hosjea en Amos waren de eerste profeten die hun toespraken op schrift stelden, zodat wij ze nog kunnen lezen. Samen met tien latere profeten worden ze de zogenaamde kleine profeten genoemd, klein omdat hun geschriften niet zo omvangrijk zijn als die van Jesaja, Jeremia en Jechezkel. Het was de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israël belaagden, het rijk dat Hosjea in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim.

Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosjea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt.

Hosjea begint heel merkwaardig. De Eeuwige draagt hem op om een overspelige vrouw te trouwen, waarschijnlijk een prostituee. De Eeuwige zei tegen hem: ‘Trouw een overspelige vrouw en verwek kinderen bij haar, want het land maakt zich schuldig aan overspel door zich van de Eeuwige af te keren.’ 3 Daarop trouwde Hosjea met Gomer, de dochter van Diblaïm.

Of het nu God was of het lot dat hem opscheepte met de ontrouwe Gomer, de situatie brengt hem op het idee om zijn ongelukkige huwelijk te beschouwen als metafoor voor de toestand in het land. Het beeld is dat van de echtgenoot (dat is dus de Eeuwige) en zijn ontrouwe vrouw (dat is dus Israël) die zich overgeeft aan overspel en hoererij. Het is een beeld dat we talloze malen bij de volgende profeten zullen terugvinden.

Hosjea ervaart zijn eigen wrakke huwelijk met de overspelige Gomer als een door de Eeuwige hem opgelegde existentiële doorleving van het verraad van het noordelijke rijk Israël. In heftige beelden stelt hij het moreel verval aan de kaak, hetgeen zich onder meer uit in de dienst aan Ba'al en tempelprostitutie. Hij herinnert het trouweloze volk aan de opdracht om alleen de Ene te dienen in (6:6): “Want Ik (de Eeuwige) vindt vreugde in goedertierenheid (chesed) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!”. 

Maar Hosjea laat Gomer op den duur niet in de steek. Hij ontfermt zich weer over de ontrouwe echtgenote en koopt haar terug van haar minnaars al heeft ze hem verlaten voor haar mannen en hun feesten. Hij betaalt voor haar vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst, een hoge prijs. Zo zal ook de Eeuwige zich weer het lot aantrekken van de Israëlieten zegt Hosjea in hoofdstuk 3. Wel zal ze geruime tijd in huis moeten blijven en geen overspel mogen plegen of zich met een man inlaten.

Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In een poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israëls kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal Jakob vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4 In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5 Hij streed met de Engel en overwon;
wenend vroeg hij Hem om genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6 namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7 En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht ( chesed we-misjpat ),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld. Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lavan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lavans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.

De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst. 12 nog wordt benadrukt.

12 13 Jakob vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij vee

12:14 Door een profeet heeft de Eeuwige Israël echter uit Egypte geleid en door een profeet werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mosjee bedoeld en Hosjea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidde, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (zoals ik).

Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het welzijn dat dan op het land zal opbloeien in bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

Een frappante tekst is deze die wij nog steeds ter harte kunnen nemen:

12:8 Dat handelsvolk heeft altijd een valse weegschaal bij de hand,
het is verzot op afzetterij.
9Hoor Efraïm zeggen: ‘Maar ik ben toch rijk geworden?
Heb ik mij geen aanzien verworven?
Wijst mijn winst soms op iets kwalijks dat de naam van zonde verdient?

Echoot deze verontschuldiging van wie groot geld verdient over de ruggen van de burgers niet door alle tijden? Is het bevooroordelende algoritme ook niet een valse weegschaal?

RC nov 2021

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right