Haftara Jechezkeel 37:1 - 14

Haftara Jechezkeel 37:1 - 14

commentaar BIJ Sjemot
VOOR Pèsach
18 Nisan 5784

Het visioen van de dorre doodsbeenderen

door 
Stichting PaRDeS

Op de sjabbat die dit jaar valt in de week van Pesach is het Chol ha-Moëd Pesach en wordt als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiël gelezen over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden.

Jechezkeel 37:1 – 14

Een commentaar:

'Ezechiël 37 vormt één van de meest geweldige visioenen in de Schrift'. Dat zeg ik een van de meest bijzondere theologen uit de vorige eeuw, dr. Oepke Noordmans, gaarne na. Maar het begint wel met een uiterst huiveringwekkend beeld ... van mensen die op het slagveld hun leven verloren hebben en van wie ten laatste hun botten, hun beenderen zijn overgebleven; door de schroeiende zon zijn ze helemaal verdroogd. Huiveringwekkend. Een gebeurtenis, een situatie waar je dan ook liever aan voorbijgaat, iets dat je liever niet ziet. Maar God biedt daarvoor aan Ezechiël geen ruimte. Hij moet de confrontatie aangaan, van alle kanten zelfs. Hij zal er niet omheen kunnen en mogen aan dit killing field. Als TV-kijker wend je in zo'n situatie je hoofd af of zap je maar snel verder, maar als profeet krijgt Ezechiël daarvoor geen kans. Genadeloos wordt hij geconfronteerd met de restanten van de hel die hier heeft gewoed, met wat er van mensen overblijft die door oorlogsgeweld getroffen zijn.

Huiveringwekkend, dat als allereerste, maar een situatie die volkomen uitzichtloos is. Hoop, toekomst, perspectief zijn in dat geval woorden die je niet meer met zo’n situatie kunt verbinden. Het is een situatie waarbij je je alleen nog maar neer lijkt te kunnen leggen. Dat daarin nog een wending ten goede aangebracht zou kunnen worden? Als je echt eerlijk bent, ... als je reëel bent, dan zeg je - je primaire reactie toch? - : 'Nee, dat kan niet.' Of ... of?

Die vraag van God aan Ezechiël: 'Mensenzoon, kunnen deze beenderen herleven?' Wie vraagt dat nou? Hoe absurd! Hier wordt een vraag gesteld waar geen mens ooit op zou komen. Deze beenderen leven? Een betere vraag zou toch zijn: moeten deze beenderen niet netjes begraven worden? Met een gedenksteen erbij, met daarop de naam van de betrokkene.

Die vraag 'Mensenzoon, kunnen deze beenderen herleven?' alleen al: ... roept het idee op dat daar iets aan zou kunnen veranderen. 'Onmogelijk!' zouden wij dat niet tegen God zeggen op zijn vraag. Maar zo niet Ezechiël.

Ik wil u vragen om even naar dit plaatje te kijken: het is een detail van een fresco uit de synagoge in Dura Europos, een stad in het oosten van Syrië, aan de rivier de Eufraat. [Het fresco loopt aan de rechterkant nog een stuk door.] Het is een fresco op de wijze van een striptekening, met dit verschil dat u in één tekening drie keer Ezechiël ziet afgebeeld.

Helemaal links staat hij, maar niet met zijn voeten op de grond, want hij wordt daar opgetild. Een hand uit de hoogte - de hand van God - zet Ezechiël neer in het dal.

In het midden staat hij opnieuw. Ziet u wat hij doet? Met beide handen wijst hij, zowel met zijn linker- als met zijn rechterhand. Met zijn linkerhand wijst hij naar de beenderen die op de grond liggen en met zijn rechterhand wijst hij naar boven, naar de andere hand die vanuit de hemel uitgestoken wordt. Het is de verbeelding van het antwoord dat Ezechiël geeft op Gods vraag: 'Here Heer, u weet het.' Is dat nu strategie van Ezechiël, omdat hij geen nee wil/durft te zeggen? Is het antwoord dan misschien een kwestie van veiligheid, een veilig antwoord dus, zoals wij in zo'n situatie nog wel eens willen geven. Het is, dunkt me, toch iets anders. Ezechiël geeft er met dat antwoord blijk van - als mens - zijn eigen grenzen te kennen. En dat doe je niet, als je zegt dat het niet kan, dat beenderen niet kunnen herleven. Dan geef je er geen blijk van dat er misschien nog mogelijkheden zijn die jij niet kent.

U ziet, een bijzonder moment is dat toch eigenlijk. Die vraag van God en dat antwoord van Ezechiël. Er gaat iets van een deur open, waar je dat bij een eerste blik niet zou verwachten.

'Je moet reëel zijn', krijgen wij, krijg ik nog wel eens te horen. Dit visioen sluit daar niet op aan. Wat we zien, is dat het God is die aan dat beeld van realiteit morrelt, aan dat beeld van 'Nu hoef je echt niets meer te verwachten. De situatie is volstrekt hopeloos.' Dat is vaak de functie van de vraag. Door een vraag te stellen morrelt iemand nog wel eens aan een situatie. En het zal u niet verbazen, als ik u zeg dat - in de Bijbel - God heel vaak degene is die een vraag stelt. Maar hij mag dan ook vaak aan bestaande situaties morrelen, helemaal als deze bij ons de indruk wekken gesloten te zijn als een pot.

Het zou me niets verbazen, als God dat eerst moet weten van Ezechiël, voordat Hij met hem verder kan, voordat Hij hem zijn opdracht kan geven. Drie keer zal dat gebeuren, drie keer, zo meldt Ezechiël zal God tot hem spreken (37:4, 9 en 11). Drie keer zal hij de opdracht krijgen om te profeteren: eerst tot de beenderen (37:4-8), dan tot de geest, de wind (37:9-10) en ten slotte tot het huis Israëls (37:11- 14). Wat hij dan zal moeten zeggen? Dan hoor je drie keer hetzelfde: 'Zo zegt de Here Heer' (37:5, 9 en 12) Niets anders dan het Godswoord heeft Ezechiël dan door te geven. Hij heeft alleen maar doorgeefluik van God te zijn, van zijn spreken.

Ooit schreef de andere bijzondere theoloog uit de vorige eeuw, prof.dr. K.H. Miskotte, een boek onder de titel 'Om het levende woord'. Het is een titel die exact dekt wat het karakter is van dit spreken van God: dat het leven bewerkstelligt. Het bewerkstelligt leven, daar waar je dat absoluut niet zou verwachten, daar waar een mens alle moed verloren heeft, waar hij zich van al zijn levensmogelijkheden ziet afgesneden en hij alle hoop verloren heeft. Want zie (sic) maar wat er gebeurt, als Ezechiël doet wat God tot hem gezegd heeft, als Ezechiël dat Godswoord laat klinken. Dan gebeurt het ook op datzelfde moment. 'Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met huid overtrekken.' Dat moet Ezechiël profeteren. Wat er gebeurt, als Ezechiël doet wat God hem bevolen had: 'En zie, er kwamen spieren op en vlees en er trok een huid overheen.' Beeld, uitdrukking van de levenwekkende kracht van het woord dat God spreekt. Zijn woord dat mensen overeind weet te zetten, juist in die situatie waar mensen, waar het volk Israël alle hoop had(den) opgegeven. Weet dat als Hij dan gaat spreken, dat Hij met zijn woord mensen weer tot leven kan wekken, weer op de been (!) kan zetten. Dat is wat Ezechiël mee mag krijgen en wij met hem. En dat is even later wat hij tegen Israël, dat alle hoop verloren heeft, zelf zal mogen profeteren.

Eerste Paasdag, 8 april 2012 Bethelkerk, Den Haag-Loosduinen

ds. Nico Riemersma

bewerkt 2024 DMH

Archives

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right