Haftara Job 38:1 - 18

Haftara Job 38:1 - 18

commentaar BIJ Berésjit
26 Tishri 5784

De verontwaardiging van de Eeuwige.

door 
Ger de Koning

God gaat spreken. Er is in de voorgaande gesprekken door Job en de vrienden en Elihu veel over God gezegd, maar Zijn daadwerkelijke aanwezigheid was niet gevoeld. Nu God Zelf Zich toont, gaat Job veranderen.

In het spreken van God zullen we geen verklaring horen van het probleem waarmee Job heeft geworsteld. Het probleem komt zelfs niet ter sprake. God verdedigt Zich niet tegen de aanklachten van Job dat Hij onrechtvaardig zou zijn. Hij komt niet als volgende Spreker een nieuwe poging doen om Job te overtuigen, maar Hij komt als Degene Die in majesteit het laatste en beslissende woord spreekt. God komt eenvoudig als de Verhevene.

God komt niet met “nieuwe getuigen” (Jb 10:17naar Job, waarvoor hij zo bang was. Hij komt ook in niet een wervelstorm om Job weg te vagen en niet meer naar hem te horen (Jb 9:16-18). God komt niet om zijn lijden groter te maken, maar om heel persoonlijk Zelf zielzorg aan Job te besteden.

Job wilde God dagvaarden voor Zijn rol in het lijden dat hem heeft getroffen. Maar als God aan Job verschijnt, worden de rollen omgedraaid. God roept hem ter verantwoording. Hij stelt Job meer dan zeventig vragen waarop deze geen enkel antwoord heeft. Dat levert het bewijs dat Job niet in staat is om Gods wegen met de natuur te begrijpen, laat staan er macht over heeft. Als hij niet eens daarvan de natuurlijke samenhang kent en begrijpt, hoe zou hij dan kunnen verwachten dat hij Gods handelen met de mens kan begrijpen? Dat leidt er ten slotte toe dat Job overtuigd wordt. Hij veracht zichzelf en doet boete in stof en as (Jb 42:6).

God spreekt over Zijn wonderwerken, niet over de werken van Job. Van Jobs goede werken wordt geen enkele melding gemaakt. God laat Job door Zijn verschijning aan hem weten dat Hij hem niet heeft opgegeven. Ook verwijt God Job geen bepaalde zonden als oorzaak van zijn lijden. God verwijt Job alleen maar de ongerijmde woorden die hij in zijn verbittering tijdens zijn lijden sprak. Dat is precies wat ook Elihu eerder heeft gedaan, wat bewijst dat Elihu naar de wil van God heeft gesproken.

In hun gesprekken hebben de drie vrienden en Job een moeilijk probleem besproken. Overal in de schepping blijkt dat alles is onderworpen aan vaste inzettingen en wetmatigheden. Als de Schepper met de hele kosmos handelt volgens herkenbare regels, waarom zouden er dan in Zijn omgang met de mensen niet net zulke betrouwbare regels zijn? God laat nu zien, hoezeer de mens zichzelf overschat als hij zich aanmatigt Zijn handelen als Schepper en Onderhouder te begrijpen. En als hij in de natuurlijke dingen het handelen van God al niet begrijpt, hoeveel te minder dan in Zijn wegen met de mensen.

1 - 3 God antwoordt Job

1 Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
2 Wie is hij die [Mijn] raad duister maakt
met woorden zonder kennis?
3 Omgord nu als een man uw heupen,
dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij [eens] bekend:

Een van Jobs slotwoorden was: “Laat de Almachtige mij antwoorden” (Jb 31:35; vgl. Jb 9:35; 10:2; 13:3). Dat antwoord komt nu (vers 1). Van Jobs voornemen om de Almachtige “als een vorst” (Jb 31:37te naderen komt niets terecht. Het antwoord van “de HEERE” komt “uit een storm”, niet om Job door die storm te vermorzelen, maar om hem te antwoorden (vgl. Jb 9:17). God antwoordt als “de HEERE”, de Naam die ook in Job 1-2 wordt gebruikt en die kenmerkend is voor de relatie van God met de mens. Die HEERE komt op imponerende wijze tot hem. Job moet erkennen met Wie hij te doen heeft. Maar Hij komt om hem te herstellen, niet om hem te verdelgen. Toen Job in ellende werd gedompeld, heeft Hij ook gesproken door een vreselijke stormwind. Daarbij kwamen al zijn kinderen om het leven (Jb 1:19).

De eerste woorden van God maken direct duidelijk wat Hij Job kwalijk neemt (vers 2). God begint met de vraag: “Wie is hij?” Daarin klinkt al de grote verhevenheid van God en de grote nietigheid van de mens, Job, door. Het zijn geen woorden van verachting of van toorn, maar ze houden een verwijt in. Het zijn woorden van verontwaardiging, want Job heeft de euvele moed gehad Gods raad duister te maken door Zijn wegen verkeerd voor te stellen. Die verontwaardiging van God is begrijpelijk als we eraan denken dat wij het ook niet waarderen als er dingen van ons worden gezegd die niet waar zijn.

Job heeft met zijn woorden Gods raad, dat is Zijn regering van de wereld, waaronder ook de rampen vallen die hem hebben getroffen, duister gemaakt. God regeert in rampen en plagen, waarin duidelijk Zijn hand te zien is. Maar Zijn raad wordt duister gemaakt door menselijke benaderingen, verklaringen en redeneringen daarvan en daarover. Job heeft er ook zijn verklaring van gegeven. Daarbij is hij ertoe gekomen God van onrechtvaardig handelen te beschuldigen en daardoor heeft hij Gods raad duister gemaakt.

Hij heeft “woorden zonder kennis” over God gesproken omdat hij Gods handelen verkeerd uitlegde. Hij meende te weten wat God wel had moeten doen, maar niet heeft gedaan, dat heeft nagelaten.

God roept Job op om als een man zijn heupen te gorden (vers 3Jb 40:1-2; vgl. 1Kn 20:11). Daarmee zegt God als het ware tegen hem: ‘Zet je maar schrap om naar Mijn vragen te luisteren en geef dan het goede antwoord.’ Job heeft krachtige taal geuit over wat hij allemaal tegen God zou zeggen (Jb 13:22; 23:4-5). God zal de kracht van zijn woorden testen door hem te ondervragen, door hem een aantal vragen te stellen. Gods vragen zullen de verhoudingen in het juiste licht plaatsen.

Het zijn geen vragen die een mens niet kan begrijpen. Het zijn geen ‘quizvragen’ om Jobs kennis te testen, maar opvoedkundige vragen. Gods doel is niet om Job diep van zijn onwetendheid te doordringen en hem daardoor weg te vagen, wat heel eenvoudig zou zijn, maar om hem te brengen tot de ware kennis van zichzelf en van God. In die kennis groeien is groeien in de ware kennis. Dat God zo tot Job komt en hem zo aanspreekt, toont Zijn barmhartigheid ten aanzien van Job.

4 - 7 De fundamenten van de aarde

4 Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
5 Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers [wel].
Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?
6 Waarop zijn haar pijlers neergezonken?
Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
7 toen de morgensterren samen vrolijk zongen,
en al de kinderen van God juichten?

In vers 4 begint God met de vragen. Elke vraag maakt Job een stukje kleiner, tot ten slotte het laatste restje trots is verdwenen. Het eerste onderwerp dat God aansnijdt, is de schepping en wel die van de aarde, de verblijfplaats van de mens (vers 4). Job klaagde erover dat God de bergen verplaatst en omkeert, de aarde doet wankelen en de zon en de sterren verduistert (Jb 9:5-7). Maar om vragen over de schepping te kunnen beantwoorden moet hij van de schepping getuige zijn geweest of getuigen kunnen aanvoeren. Job meende dat hij kennis had van de schepping (Jb 9:5-10). Kan hij ook zeggen waar hij zich bevond toen God “de aarde grondvestte”? ‘Nou Job, zeg het maar, laat het Me maar weten, “maak het bekend”. Als je dat kunt, toon je daarmee aan dat je “echt inzicht hebt”.’

Job was op het moment van de schepping van de aarde natuurlijk nergens te bekennen, hij bestond niet eens. Wat dat betreft, sprak Bildad de waarheid, toen hij tegen Job zei: “Immers, wij zijn van gisteren en weten niets” (Jb 8:9). Welnu, als iemand geen kennis heeft van de manier waarop de aarde is gegrondvest, ontbreekt hem ook de kennis van de manier waarop de aarde en het leven daarop functioneren en worden bestuurd. Wie ondanks het ontbreken van die kennis daar toch uitspraken over doet, kan alleen speculeren en dwaasheid uitkramen.

Niemand, geen mens, is bij de schepping aanwezig geweest. Als God hier spreekt over ‘grondvesten’ (of fundamentlegging) en in vers 5 over ‘het meetlint’, is dat natuurlijk beeldspraak die ontleend is aan het dagelijkse leven. De aarde is niet letterlijk ergens op gegrondvest en er is geen letterlijk meetlint aan te pas gekomen bij het ontwerpen en scheppen ervan (vgl. Jb 26:7). God gebruikt deze begrippen om ons duidelijk te maken wat Hij bedoelt.

De vraag in vers 5 sluit aan op de vorige waarin we de Schepper en Onderhouder van het heelal aan het woord horen over het ontwerp en de constructie ervan. God vraagt aan Job Wie de afmetingen ervan heeft bepaald. Heeft hij God een handje geholpen bij het ontwerp, of Hem een tip gegeven bij de bepaling van de afmetingen en verhoudingen, zodat alle onderdelen van de schepping door een evenredige en evenwichtige vorm en hoeveelheid volmaakt harmonieus bij elkaar passen? Weet hij, behalve het feit dat de aarde functioneert, ook hoe en waarom zij functioneert? De woorden “afmetingen” en “meetlint” willen zeggen dat God volgens een volmaakt vooropgesteld plan werkt.

Job moet het maar zeggen, want hij “weet het immers” hoe de aarde in elkaar steekt. Dat heeft hij in elk geval beweerd. Of heeft hij misschien geholpen bij de uitvoering, dat hij het meetlint heeft vastgehouden toen God alles op zijn plaats zette? Dat heeft Job niet. Hij heeft God geen advies kunnen geven welke afmetingen en eigenschappen Hij aan de onderdelen van Zijn schepping zou toekennen. De les die we hieruit kunnen leren, is dat God alleen van alles de maat bepaalt, of het nu gaat om de schepping of om onze dagen, ons bezit, onze gaven of ons lijden (Pr 3:1-8).

In vers 6 vraagt God niet naar een persoon, maar naar de wijze van werken. Het gaat daarbij om de duurzaamheid van het scheppingswerk. Kan Job ook zeggen hoe God te werk is gegaan om de aarde de stabiliteit te geven die ze heeft? Kan hij iets maken dat blijft bestaan? God gebruikt ook hier beeldspraak als Hij spreekt over “haar pijlers” en “haar hoeksteen”. Pijlers houden een gebouw omhoog en de hoeksteen zorgt ervoor dat het fundament goed ligt. God toont Job door deze beelden aan dat alles wat Hij heeft gebouwd, solide en stabiel is.

Wie wel bij Gods scheppingswerken aanwezig waren, zijn de engelen, die hier “morgensterren” en “zonen van God” – dat is betere vertaling dan ‘kinderen van God’ (Jb 1:6; 2:1) worden genoemd (vers 7). Engelen zijn zonen van God vanwege hun schepping door God. Engelen zijn geschapen voordat God het zichtbare universum schiep. Toen God uit het niets, dat wil zeggen uit wat voor het oog onzichtbaar is, de schepping tot stand bracht, hebben zij dat gezien en daarover gejubeld en gejuicht.

[NB “Vrolijk zongen” (vers 7) is geen goede vertaling. Engelen zingen niet. Zingen is voorbehouden aan mensen die door God van hun slavernij en hun zonden zijn verlost. Zie bijvoorbeeld Exodus 15, waar voor het eerst in de Bijbel wordt gezongen, en het boek Openbaring, waar dat voor de laatste keer in de Bijbel gebeurt (Ex 15:1Op 5:9; 14:3; 15:3).]

God heeft niet vanuit het niets, maar vanuit Zichzelf geschapen. De engelen hadden nog nooit iets gezien van materie en alles wat daarbij hoort aan materiaal en hun eigenschappen, zoals vorm, kleur en omvang. En ineens was het daar. Dat bracht hen tot een uitbundige uiting van hun bewondering voor de wijsheid en macht van God, hun Schepper.

8 - 11 De grenzen van de zee

8 Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9 toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10 Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11 en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.

In deze verzen verandert God van onderwerp. Hij gaat van de aarde over naar de zee en stelt Job daarover enkele vragen. In die vragen laat Hij zien dat Hij zowel de Maker als de Meester ervan is. Hij beheerst en controleert de zee. De oorsprong van de aarde is door God vergeleken met het bouwen van een huis. Voor de oorsprong van de zee gebruikt Hij het beeld van een geboorte (vers 8) en wel van een onstuimige geboorte. Direct bij de geboorte toont de zee haar temperament van wildheid en woestheid die door God beteugeld moet worden.

God stelt over de zee verder geen vragen aan Job, maar beschrijft Zijn handelwijze ermee. Daaruit blijkt Zijn volkomen beheersing ervan en ook Zijn zorg ervoor. Hij vergelijkt de zee zelfs met een pasgeboren kind dat helemaal van Zijn verzorging afhankelijk is (vgl. Ez 16:2-4). Hij bekleedt de zee met “een wolk” en geeft haar “de donkere [wolken] als haar omslagdoek” (vers 9). Deze kleding geeft een uiterlijk dat de dreiging vergroot die altijd al voor de mens van de zee is uitgegaan. Het maakt hem nog meer bewust van zijn machteloosheid en nietigheid tegenover die macht vol dreiging.

Als er door God geen paal en perk aan de zee wordt gesteld en Hij die niet controleert (vers 10), kan niemand de zee verhinderen een alles verwoestend werk te doen. Geweldige overstromingen door stormen, tsunami’s en springvloeden zijn daarvan indrukwekkende bewijzen. Op de verschrikkelijkste manier woedde het water toen God een wereldwijde zondvloed als oordeel over de aarde gebruikte (Gn 7:11; 8:2).

Is er een mens die de zee kan temmen of begrenzen? De mens kan met zijn bekwaamheden allerlei voorzieningen treffen om een watersnoodramp te voorkomen, zoals de enorme Deltawerken, tot bescherming van zijn kusten. Maar een garantie dat een nieuwe watersnoodramp uitgesloten is, kunnen zelfs zulke meesterlijke prestaties niet geven. Alleen God heeft de macht het water een halt toe te roepen. Hij heeft grenzen gesteld en grendels en deuren geplaatst, zodat zij niet zonder Zijn wil buiten de gestelde grenzen gaat. (vgl. 

God verliest nooit de controle over de zee (vers 11). Hij kan incidenteel toelaten dat de zee die grenzen doorbreekt. Dan opent Hij de deuren om de mens aan zijn totale onvermogen te herinneren om ook maar enige invloed op de verwoestende massa en de kracht van het water uit te oefenen. Daarna verzamelt Hij de wateren weer in de door Hem daarvoor bestemde bewaarplaatsen (Ps 33:7) en brengt ze tot rust.

God heerst over de zee eenvoudig daardoor dat Hij tegen de zee “zei”, dat wil zeggen door Zijn woord. De wateren gehoorzamen het woord van God (2Pt 3:5-6). Hij spreekt tot hen alsof ze als persoon voor Hem staan, met een eigen, opstandige wil, en aan wie Hij laat weten wat hun grens is om zich daaraan te houden.

Als God de volkomen controle heeft over de zee, welk recht heeft de mens dan, die de zee niet heeft doen ontstaan en die ook niet kan controleren, om God te bekritiseren over de manier waarop Hij daarmee omgaat? We kunnen dit toepassen op de beproevingen en moeiten die het leven van een gelovige kunnen treffen. Ze komen niet toevallig over hem, maar komen voort uit ‘de schoot van Gods raad’ voor hem. Tegelijk is en blijft God ook in de beproevingen bij ons (Js 43:2). Hij heeft aan de nood en ellende een grens gesteld, zodat de gelovige er niet aan ten onder gaat (1Ko 10:13). Hij houdt met Zijn beproevingen de hoogmoed van de mensen in toom, zoals Hij de hoogmoed van de wateren in toom houdt.

12 - 15 Dag en nacht

12 Hebt u in uw dagen de morgen ontboden?
Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,
13 om de einden van de aarde vast te grijpen,
zodat de goddelozen van haar afgeschud worden?
14 [De aarde] verandert als leem door een zegel,
en [de dingen] krijgen vorm als een kleed.
15 De goddelozen wordt hun licht onthouden,
en de opgeheven arm wordt gebroken.

Na vragen over het begin van de schepping is het volgende onderwerp waarover God vragen aan Job stelt het begin van de dag. Heeft Job, sinds hij leeft, er ooit een keer voor gezorgd dat het dag werd, dat de morgen begon te gloren en de dageraad gezien werd (vers 12)? Heeft hij de wisseling tussen dag en nacht kunnen beïnvloeden? Heeft hij bepaald wanneer en waar dat zou gebeuren? Ook op deze vraag komt geen antwoord. God verwacht ook geen antwoord. Alle vragen moeten Job naar het enig juiste antwoord voeren en dat is dat hij geen enkel weerwoord meer heeft op Gods regering in zijn leven. Als Hij Gods leiding erkent, heeft hij geen antwoorden nodig.

Job en ook wij zouden nooit op die vraag zijn gekomen. Het op- en ondergaan van de zon is zo alledaags, zo vanzelfsprekend, dat we er helemaal niet over nadenken Wie daarachter zit. We staan er ook niet bij stil dat dit proces aan de gang is sinds de schepping, toen God zei: “Laat er licht zijn!” (Gn 1:3). Geen mens kan bewerken dat het dag wordt en geen mens kan dat dagelijks terugkerende wonder doorbreken. De dag en ook de nacht behoren God toe (Ps 74:16).

Het aanbreken van de dag heeft ook een gevolg voor de goddelozen (vers 13). Als het licht wordt, is dat “om de einden van de aarde vast te grijpen”. Bij het opkomen van de zon wordt plotseling de hele horizon verlicht. Dat geeft het beeld dat het is alsof het licht de aarde als een tafelkleed vastgrijpt om de kruimels eraf te schudden. De goddelozen worden hier dan gezien als de kruimels die van de aarde worden afgeschud.

Zodra het licht wordt, ontvluchten ze het licht; ze zijn bang voor het licht en worden erdoor verdreven (vgl. Jb 24:17). God vraagt Job of hij de dageraad al eens bevel heeft gegeven om dat te doen.

Een ander gevolg van het aanbreken van de dag na de nacht is dat de vorm van alle dingen weer zichtbaar wordt (vers 14). In de nacht is alles donker en vervagen de omtrekken. De aarde lijkt dan een vormeloos en kleurloos stuk “leem”. Dat verandert als het dag wordt. Zoals de indruk van een zegel in het zachte leem de vorm van het leem verandert in iets herkenbaars, zo verandert het aanbreken van de dag de vorm van de aarde in een vorm die we herkennen. Het “kleed” van de aarde, waarbij we bijvoorbeeld kunnen denken aan de bomen en de bloemen die we ’s nachts niet zien, wordt gezien. In het morgenlicht zien we de hele structuur en schoonheid van de aarde.

Tegenover de herkenbaarheid van Gods scheppingswerken in het licht staat het verdwijnen van de goddelozen (vers 15). Het daglicht breekt door, maar zij hebben er geen baat bij. Integendeel, ze willen het licht niet en kruipen ervoor weg. Omdat ze het licht niet willen zien, maar de voorkeur geven aan de duisternis, zullen ze het licht nooit zien. Hun “opgeheven arm”, een beeld van hun opstand tegen God, zal voor altijd gebroken worden (vgl. Nm 15:30Ps 10:15; 37:17).

16 - 18 Ongekende diepten en breedten

16 Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee?
Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?
17 Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard?
Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?
18 Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde?
Maak het bekend, als u dit allemaal weet.

God vraagt aan Job of hij iets weet van “de bronnen van de zee” en “de bodem van de watervloed” (vers 16). Heeft hij de bodem van de zee gezien en afgespeurd, zodat hij de bronnen heeft ontdekt waar de zee ontspringt? En is hij zo thuis op de bodem van de watervloed, dat hij daar heeft gewandeld? De zee bevat ongekende diepten waar het volledig donker is, waar de mens niet kan komen en als hij er kon komen niets kan zien.

Voor God kennen deze ontoegankelijke diepten geen geheimen. Hij wandelt daar op volkomen bekend terrein (Ps 77:20). De mens mist de kennis van die diepten omdat hij daar niet kan komen. Als hij de natuurlijke diepten niet kent, wat weet hij dan over Gods weg in zijn leven met de diepten waar Hij hem soms doorheen voert? Het mag genoeg zijn dat God zijn levenspad en het doel kent, dwars door de zee en grote wateren van beproevingen heen.

In vers 17 houdt God aan Job een vraag voor over een nog grotere en donkerdere diepte dan die van de zee en wel de diepten van het dodenrijk. Zolang iemand in het land van de levenden is, blijft het een raadsel wat “de poorten van de dood” precies zijn, hoe hij zich die moet voorstellen. Hij heeft er geen kijk op en geen inzicht in. Door ook over “de poorten van de schaduw van de dood” te spreken voegt God aan de toestand van de dood nog het aspect van duisternis toe.

Om antwoord op deze vragen te kunnen geven moet een mens het eerst ervaren. Als hij het heeft ervaren, kan hij niet meer terug om het te vertellen omdat hij dood is. De mens weet niet uit ervaring wat de dood is of op welke manier hij uit het leven vertrekt en hoe dat voelt. Voor God kent de dood geen geheimen (Jb 26:6). Hij weet precies hoe de dood werkt.

Na de diepten gaat het over de breedten. God stelt de vraag aan Job of zijn inzicht reikt “tot de breedten van de aarde” (vers 18). De betekenis van de vraag is of Job speciale aandacht aan de breedten van de aarde, dat wil zeggen de oppervlakte van de aarde, in tegenstelling tot de zee, heeft gegeven, zodat hij als gevolg daarvan er een grondige en uitgebreide kennis van heeft opgedaan. Job had er geen kennis van dat de aarde een bol is en dat de breedste plek op aarde de evenaar is. Voor hem waren de breedten van de aarde wat hij om zich heen zag. Het moet Job tot het inzicht brengen dat het gezichtsveld van de mens beperkt is tot de horizon, maar dat God alles overziet.

God besluit deze vragenserie met de uitnodiging, of misschien meer de uitdaging, aan Job dat hij het Hem maar bekend moet maken als hij dit “allemaal” weet. Het gaat Hem niet om het concrete antwoord op de afzonderlijke vragen, maar om het antwoord op alle vragen, op de samenhang ervan, want alle vragen hangen met elkaar samen. Job zwijgt en antwoordt niet. In het licht van wat God aan hem vraagt, begint het tot hem door te dringen dat hij “woorden zonder kennis” heeft gesproken (vers 2).

Deze tekst is ontleend aan https://www.kingcomments.com/nl/bijbelstudies/Jb/38 en bewerkt door Dick Hage

Archives

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right