Hosjea 14:2-10 & Micha 7:18-20

commentaar BIJ Dewarim
- Wajélèch
3 Tishri 5782

Tasjliech

door 
Rob Cassuto

De sjabbat van de parasja Wajelech valt in dit net begonnen nieuwe jaar 5782 tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer; het is een speciale sjabbat, die ‘sjabbat sjoeva’ wordt genoemd naar de eerste woorden van de speciale haftara uit de profeet Hosea (Hosjea) die alsdan wordt gelezen (NBV):

14:2 Keer terug, Israël, naar de Eeuwige, je God!
Door je eigen wandaden ben je ten val gekomen.
Kom met woorden van berouw en keer terug naar de Eeuwige.
Zeg tegen hem: ‘Vergeef ons al onze misdaden. Neem wat goed is van ons aan. Als offer brengen wij u oprechte woorden 
(letterlijk: als – of: in plaats van – offerstieren bieden wij onze lippen).

Dat is goede aansporing voor deze dagen van reflectie voor Jom Kipoer, woorden waarin al de boodschap van latere profeten doorklinken: het gaat niet om rituele offers, maar om werkelijke spijt over begane misstappen.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk van de tien stammen, dat Israël werd genoemd, belaagden, het koninkrijk dat hij in zijn geschrift ook vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE waren er voortdurend invallen en werden grote aantallen inwoners als krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. Hosea’s dringende oproep roep om terugkeer of ommekeer moet toch vooral zijn gericht naar de elite van het noordelijke rijk.
Mocht die roep worden beantwoord en zou Israël terugkeren van zijn afgoden, dan schetst de profeet een idyllisch beeld over hoe het zal kunnen worden:

14:6 Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Het zal bloeien als een lelie,
wortelen als een ceder op de Libanon.


In 722 viel de hoofdstad Samaria ( Sjomron ) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken om nooit meer naar hun land terug te komen. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea voorzien – zie vers 1 van dit hoofdstuk 14 – maar vermoedelijk heeft hij de val van de stad niet meer meegemaakt. Zijn geschrift is daarom vooral een waarschuwing geworden aan het overgebleven zuidelijk koninkrijk van de twee stammen Juda en Benjamin om het slechte voorbeeld van de noordelijke buur niet na te volgen, zoals de middeleeuwse commentator Rasji veronderstelt. De oproep tot ommekeer – tesjoeva – echoot tot in deze tijd door.

Aan de haftara worden nog de laatste drie verzen van het boek van de profeet Micha toegevoegd, verzen waarin de Eeuwige wordt aangeroepen als de God die vergevingsgezind is, niet kwaad blijft en die zich zal ontfermen over wie er van het volk nog over is, dit in bewoordingen die doen denken aan de gebeden van Grote Verzoendag, die weldra zal aanbreken. ‘Onze zonden werpt u ( tasjliech ) in de diepten van de zee’: deze woorden van verzoening vormen de basis voor het ritueel van tasjliech, dat op Rosj Hasjana of de dagen daarna wordt gedaan: men werpt dan symbolisch de zonden van het afgelopen jaar (vertegenwoordigd in broodkruimels of iets dergelijks) in stromend water van bijv. een beekje of rivier (liefst met vissen). Daarbij worden deze drie verzen van Micha gezongen en nog een aantal andere uit de psalmen.

Het jaar 5782 gaat een spannend jaar worden, dat is zeker. We maken de eerste weeën mee van grote veranderingen, die woelen onder de oppervlakte. Wie zal de juiste profetische snaar weten de raken om ons bewust te laten worden voor wat nodig is om onze afdwalende wereld op een beter spoor te krijgen?

Noot
1) Zie voor een commentaar op de parasja Wajelech mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right