Hosjea 2:1-22

commentaar BIJ Bemidbar
2 Sivan 5781

Ons heilige verbond

door 
Mychal Springer

De Midrasj (Beresjiet Rabba 3:7 en 9:2) leert ons dat God de wereld al enige keren had vernietigd voordat Hij de onze schiep. Na de zondvloed ging God – zoals algemeen bekend – een verbond aan met Noach, diens zonen en alles wat leefde. God zegt: “Ik sluit met jullie een overeenkomst waarin ik beloof dat nooit weer alles wat leeft door een overstroming zal worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen” (Beresjiet 9: 11).

Als we deze midrasjtekst lezen, wordt duidelijk dat God opnieuw op het punt stond de wereld te vernietigen, maar daarvoor een symbolische destructie ensceneerde en daarmee bepaalde mensen en sommige van de (andere) levende wezens een middel gaf om te overleven. Het is door dit verbond dat de mensheid en de hele schepping met het Goddelijke verbonden zijn gebleven, zelfs wanneer een breuk als mogelijkheid opdoemt.

In de parasja en haftara *) van deze week is herhaaldelijk sprake van een breuk. In de eerste plaats worden we herinnerd aan de dood van Aharons twee oudste zonen, Nadav en Avihoe. Ondanks het feit dat zij een heilig verbond hadden gesloten om God te dienen in de intimiteit van Gods heiligste ruimten, hadden zij iets niet goed begrepen. Zij hadden de Eeuwige vuur aangeboden dat niet voldeed aan de voorschriften (Bemidbar 3:4) en dus – als gevolg hiervan – moesten zij sterven. Dat zij de essentie van dat verbond met God misten, had hun dood tot gevolg, wat leidde tot een verandering van de heilige rol van de oudere zonen naar de jongere, Elazar en Itamar. Tevens verhaalt onze parasja van het ontwijden van de geheiligde plek door de eerstgeboren zonen, die uitverkoren waren om God te dienen nadat zij van de tiende plaag waren verlost, de plaag van het ombrengen van de eerstgeborenen. Terwijl God eenvoudigweg Mosjé opdraagt de Levieten te vervangen door de eerstgeborenen (Bemidbar 3:41), valt op dat er wederom een speciale relatie van dienstbaarheid is afgeschaft en dat een nieuwe groep de oorspronkelijke heeft vervangen.

Ten slotte maakt Hosea in de haftara gewag van de ontrouw van Jisraeel, dankzij Gomer, zijn slet van een echtgenote. Hoewel veel in deze haftara suggereert dat een breuk nabij is, eindigt die met het verslag van een hernieuwd verbond.

En ik zal u in alle eeuwigheid omhelzen:

Omhelzen met rechtschapenheid en rechtvaardigheid,

In goedheid en vergiffenis (chesed werachamiem).

Omarmen zal ik u met eerlijkheid (be’ emoena),

Waarna u de Heer toegewijd (wejada’at) zult zijn (Hosea 2:21 – 2:21-22).

Mijn groei naar volwassenheid verliep vanuit een diep besef dat Gods verbond met het Joodse volk onaantastbaar was. Ongeacht ons gedrag zou God eeuwig met ons en met ons lot verbonden blijven. Ik heb dit altijd een enorm geruststellende belofte gevonden. Maar toch overvalt mij bij het lezen van deze teksten het angstige gevoel dat de kans van een breuk reëel is.

De overdrachtswaarde van Hosea’s woorden zit met name in het besef dat de band met God en Jisraeel niet vanzelf komt. We kunnen de door mij aangehaalde versregels niet anders lezen dan in het besef van het gevaar dat dat verbond kan worden ontbonden. Zeker is dat het noemen van Gomers zoon de realiteit van dat gevaar, van het verbreken van betrekkingen, bloot legt.

Toen zei de Eeuwige: “Noem hem ‘Lo Ammi’ (niet mijn volk), want jullie zijn Mijn volk niet meer en Ik zal er voor jullie niet meer zijn” (Hosea 1:9).

Aangenomen dat het verhaal van Hosea zich toespitst op de wisselwerking tussen God en Jisraeel, met het huwelijk als voorbeeld, laat de haftara mij vrij vanzelfsprekend de vergelijking maken tussen de realiteit van dat verbond en een echtscheiding. Het Joodse huwelijk kent de mogelijkheid van een breuk door scheiding of sterfte, met de ketoeba als medium,vanuit het oorspronkelijk doel de vrouw te beschermen in geval van scheiden of sterven. De vraag wat het spookbeeld van een scheiding binnende vreugde van de huwelijksdag doet, is een terechte. Hoewel die behoefte om de realiteit te kunnen ontvluchten, begrijpelijk is, blijf ik het hartverwarmend vinden dat het jodendom ons daarin niet tegemoetkomt. Zelfs op de dag dat wij onszelf overgeven aan onze geliefde, moeten we beseffen dat zo’n verbond niet kan berusten op de verzekering dat dit voor eeuwig is.

We moeten immers voorzieningen treffen om elkaar, zelfs in een worst-case scenario, correct te blijven behandelen. Alleen wanneer we daar ruimte voor inbouwen, kunnen we de complexe keuzes maken die ons in staat stellen om verantwoord en juist met de ander om te gaan. Alleen als ik me bewust ben dat scheiden een reële optie is, kan ik de tijd nemen om naar mijn partner te luisteren en kennis te nemen van de frustraties over de ruzies die we keer op keer hebben. Slechts in de wetenschap dat de dood een werkelijkheid is, kan ik ervoor kiezen om te blijven leven ondanks overweldigende beperkingen. Een huwelijk dat ons niet doet beseffen dat het op een breekbare overeenkomst berust, is geen huwelijk dat kan worden uitgedaagd tot het maken van moeilijke beslissingen als zich een crisis voordoet.

Terug naar de haftara van Hosea: “En ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken.” Wat wil dat zeggen? Het jodendom maakt ons dat mogelijk. Elke dag - de sjabbatuitgezonderd – zeggen Joden deze woorden bij het aanleggen van de tefillien. Als een overdenking over de wijze waarop wij ons als huwelijkspartner opstellen. Ik mag niet passief zijn. Ik moet aan de slag. Dus bevestig ik dat ik ‘jou in rechtschapenheid en rechtvaardigheid zal huwen’. Dat houdt de belofte in dat mijn daden alleen tot nagerechten zullen leiden. En vandaar: ”Tot in goedheid en dankbaarheid (chesed werachamiem).” Met als geruststelling dat de werkelijkheid van mijn daden onlosmakelijk verbonden is met Gods oneindige liefde en barmhartigheid, die ook tussen mij en de ander is. Zelfs als ik in de fout ga, is een breuk niet automatisch het gevolg daarvan. En daarom ‘zal ik jou in blind geloof tot mijn partner in ons huwelijk maken’. Dat vertrouwen, emoena, berust op begrippen als geloof en standvastigheid. Als we in evenwicht leven met al deze eigenschappen, zijn we in staat om ook in vol vertrouwen met elkaar en met God verbonden te zijn. Vanuit dit gevoel van evenwicht kunnen wij ‘Wejadat et Adonai’ zeggen, wat zoveel betekent als: ‘Waarop je God zult ervaren’.

In dat heilige verbond met de ander weerklinkt ons even heilige verbond met God. Pas als we een liefdesrelatie met een ander aangaan en aanvaarden dat die niet vanzelfsprekend is, kan ons dat motiveren tot het maken van keuzes die deze wisselwerking levend houden. Zoals we dat ook met het Opperwezen moeten doen.

*)

In veel synagoges wordt deze week de haftara gelezen uit Hosjea 2:1-22. Ook deze tekst is daar op gebaseerd. In de LJG Amsterdam wordt een 3-jarige cyclus aangehouden en wordt deze week gelezen uit I Kronieken 15: 1 - 15; 15: 26 - 16: 4.

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right