I Samuel 11:14-12:22

commentaar BIJ Bemidbar
- Korach
30 Sivan 5781

Weet wat je vraagt.

door 
Rob Cassuto

In de parasja Korach (Numeri/Bemidbar 16:1–18:32) (1) komen Korach en zijn aanhangers in opstand tegen het leiderschap van de oude leider Mozes en het hogepriesterschap van zijn broer Aharon. In de haftara gaat het om het leiderschap van Samuel (Sjemoeël). Samuel is de laatste rechter in een lange reeks rechters die 400 jaar lang de stammen van Israël hebben gericht. In de passages vóór deze haftara wil het volk de oude profeet ervan overtuigen, dat alleen met het wereldlijk leiderschap van een koning de Israëlieten een kans maken in de strijd met de Filistijnen en andere naburige volken, zoals de Ammonieten.

Samuel voelt daar niets voor; weet wat je vraagt, zegt hij en besef wat de nadelen van een koning zijn, hoe deze uitgebreid beslag zal doen op zonen, dochters, have en goed, maar het volk houdt voet bij stuk. Samuel (als spreekbuis van de Eeuwige) geeft toe. Zo vindt de profeet met goddelijke leiding de stoere jongeman Saul (Sjaoel), die ook enige tijd later nog eens in een soort lotingsproces wordt aangewezen als de eerste koning van Israël, overigens niet met aller instemming. Saul bewijst zich echter als een succesvol legeraanvoerder tegen de Ammonieten en nu is iedereen overtuigd van zijn kwaliteiten.

Samuel besluit zijn terugtreden als politiek en militair leider en het koningschap van Saul nogmaals te bevestigen in een massale bijeenkomst en viering te Gilgal; hier begint de haftara.

Na de feestelijkheden houdt Samuel een toespraak, die begint met een zelfrechtvaardiging; heeft iemand hem kunnen betrappen op onderdrukking, bedrog, wederrechtelijke verrijking of wat voor andere misdaad dan ook? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? vraagt Samuel bijvoorbeeld (2) Het volk erkent dat Samuel het voorbeeld van integriteit is geweest. Dat geeft de profeet carte blanche om het volk nog eens voor te houden hoe het geprofiteerd heeft van de weldaden die de Eeuwige ook zonder een wereldlijke koning hen heeft bewezen, te beginnen met de uittocht uit Egypte.

Maar telkens vergaten ze dat, vervielen in het dienen van afgoden en kwamen dan telkens in de macht van hun vijanden, waarop het volk dan spijt kreeg, de Eeuwige om hulp riep, die dan weer een redder in de nood stuurde zoals Gideon, Simson, Jefta en tenslotte Samuel zelf. Als jullie dan per se een koning willen, hier hebben jullie dan je koning, parafraseer ik de oude profeet, die zich in een onoplosbare spagaat voelt bevinden: hij is het totaal oneens met dat nieuwe koningschap en memoreert, dat eigenlijk de Eeuwige hun koning is.

Als klap op de vuurpijl demonstreert Samuel zijn bijzondere verhouding met de Eeuwige door het op zijn verzoek te laten donderen en stortregenen op de te velde staande nieuwe oogst zodat het volk zal inzien dat ‘een groot kwaad de Eeuwige is aangedaan door om een koning te vragen’. Het volk smeekt om redding van de atmosferische uiting van goddelijke woede, maar blijft vasthouden aan Sauls koningschap. Samuel zegt dat de Eeuwige het volk desondanks niet in de steek zal laten mits het op het rechte pad blijft. Hijzelf zal zijn functie van profeet blijven vervullen.

Het leiderschap van Mozes en de rechters na hem tot en met Samuel is een leiderschap dat profetie, wetgeving, rechtspreken en beleid in een nog ongedeeld geheel samenhoudt; Martin Buber noemt het theo-politiek leiderschap. Samuel lijkt op Mozes.  Evenals Mozes had hij als profeet een ‘lijntje’ met de Eeuwige, functioneerde hij als priester, sprak recht en trad op als politiek en militair leider voor de twaalf stammen Israëls. Ook hij oefende theo-politiek leiderschap uit, maar in de passages van en rond deze haftara komt daar een verandering in, die bepalend zal zijn voor de verdere geschiedenis van de Israëlieten.

De stammen vormden aanvankelijk nog een overzichtelijke samenleving waar principes als rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid van de stamleden en hulp aan de naaste nog ongedeeld samenvielen met ontzag voor de Eeuwige. Met de instelling van het koningschap leverden de Israëlieten zich met huid en haar uit aan een heerser. Het theo-politiek gezag werd gesplist in een seculier-politieke macht en een priesterstand voor godsdienstig gezag.  Israël zal weliswaar als koninkrijk gaan meetellen met de andere rijken van het Midden-Oosten, maar ook vatbaar worden voor de misstanden die inherent zijn aan absolute heerschappij en autoritair geleide staten: immorele en in weelde levende elites, uitbuiting van verarmde massa’s, onverantwoorde oorlogen.

De clerus van priesters praten de heersers veelal naar de mond en laten het afweten hun taak van morele educatie te vervullen. Is Israël met Saul en de koningen die nog zullen volgen echt opgeschoten ondanks de uiterlijke bloeiperioden onder koning David en Salomo? Misschien is het koningschap een onvermijdelijke fase geweest voor Israël (of de mensheid) in de geschiedenis.

Eeuwen na het koningschap van Saul zal een nieuw soort profeten, eenlingen als Hosea, Amos, Jesaja en Jeremia met hun dringende stemmen herinneren aan de oorspronkelijke boodschap van Sinaï van rechtvaardigheid en omzien naar de naaste. De vraag is of we nu in morele zin erg veel verder zijn gekomen. Ook in deze tijd, waarin sterke leiders oplossingen beloven en waar de CEO’s van kolossale concerns machtiger zijn dan koningen en presidenten hebben we de dringende stemmen van moderne profeten nodig om de grote problemen van ongelijke verdeling van welvaart, medische voorzieningen en discriminatie tot ons te laten doordringen.

noten
(1) Commentaren op de parasja Korach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) en dat rijmt met de uitroep van Mozes in de parasja Korach:  ‘Niemand van hen heb ik ook maar een ezel afgenomen’ (Num/Bam 16:15)

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right