In veel synagoges wordt deze week gelezen uit Jeremia16:19-17:14. In de LJG Amsterdam wordt een 3-jarige cyclus aangehouden en wordt Micha 3:5 - 4:5 gelezen.

Jeremia16:19-17:14

commentaar BIJ Wajikra
- Bechoekotai
25 Iyar 5781

Een grillige afwisseling in thema’s.

door 
Rob Cassuto

De parasja Bechoekotai (Leviticus/Wajikra 25:1-27:34) begint met de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het goed gaan, maar als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen zal een lange reeks rampen volgen. Ballingschap is een daarvan: ‘En jullie zal ik onder vreemde volken verstrooien; je zult moeten vluchten voor het getrokken zwaard. Je land zal een woestenij zijn en je steden zullen in puin liggen’. (1)

Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe), de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten, profeteerde tijdens de regering van de laatste koningen van Juda (7e eeuw BCE), vaak met levensgevaar, tegen de wetteloosheid en verval van zeden, verwaarlozing van armen en afgodendienst; hij voorzag dit rampzalig gebeuren -  de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs. -  . Hij maakte het ook persoonlijk mee en vluchtte naar Egypte waar hij tot zijn dood actief bleef profeteren.

De haftara uit het boek Jeremia getuigt van een grillige afwisseling in thema’s. Wat aansluit op de parasja zijn de waarschuwingen van ramp en ondergang, zoals (17:3) ‘Jullie die de stad verlaten en de bergen zoeken, je rijkdom, schatten en offerhoogten laat ik plunderen, om de zonden die jullie overal hebben begaan. Het land dat ik je schonk, zul je moeten verlaten, ik maak je de slaaf van je vijanden in een onbekend land. Want mijn toorn slaat uit als een vuur en zal altijd blijven woeden’.

Maar ook stelt de profeet immorele praktijken aan de kaak, bijv. in 17:11: zoals een patrijs die de leg van een ander uitbroedt is hij die onterechte rijkdom heeft vergaard.

Daartussendoor komen belijdenissen van en oproepen tot godsvertrouwen, die de profeet tussen alle beelden van komend onheil en scherpe confronterende vertogen steeds uitspreekt.

Zo begint het haftara gedeelte met (16:19). ‘O Eeuwige, mijn kracht en mijn burcht, mijn toevlucht in tijden van nood. Van de einden der aarde komen alle volken naar u toe. Ze zullen zeggen: “De goden van onze voorouders blijken niets dan bedrog”’.

Voorbij aan alle komende catastrofes voorziet de profeet in verre verten uiteindelijk een grote mondiale wending ten goede. Herkenbaar in zoverre ook wij nu nog steeds in de grootste ellende onszelf en de ander willen bemoedigen met een ‘ooit wordt het beter’ en ‘alles komt goed’. Maar wie zei ooit: het kenmerk van de masjieach (messias) is, dat hij altijd en voor eeuwig komende is? (2)

Het thema vertrouwen houdt de profeet herhaaldelijk bezig. Wie alleen op de eigen kracht van mensen vertrouwt en niet op de Eeuwige is als een dorre struik in de woestijn, maar wie vertrouwt op de Eeuwige is als een boom geplant aan water.

Een markant vers pleit voor de erkenning, dat we onszelf en onze aandriften eigenlijk amper kennen. (17:9)  ‘Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? Ik, de Eeuwige, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient’.
Dat verdienen moeten we denk ik niet zien als een materiële beloning of een plekje in de hemel, maar als een gerust en vreedzaam gemoed aan het eind van het leven.

Ik beluister in deze oude woorden een aanmoediging om de grenzen van de menselijke maakbaarheid te erkennen, een reminder de beperktheid van onze zelfkennis te aanvaarden en een aansporing om open te staan voor de mogelijkheid van groei in de kwaliteiten van geest en ziel.
Wie voldoende innerlijke grond heeft waarop hij of zij kan staan, kan de moed hebben om zijn of haar onvolmaaktheid onder ogen te zien.(3)
Dan heeft de smeekbede van vers 17:14 waarmee de haftara besluit een bijzondere kracht:

‘Genees mij, Eeuwige, en ik zal genezen worden,
verlos mij, en ik zal verlost worden,
want U bent mijn lofzang’.

Dit vers is opgenomen in de achtste zegenspreuk van de doordeweekse versie van het dagelijks gebed. (de Amida ofwel het Achttiengebed)

noten
(1) Commentaren op de parasja Behar en Bechoekotai zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Ik meen dat de filosoof Jacques Derrida hier uitgebreid over heeft geschreven.
Ik vond het volgende citaat: Voor Derrida alsook voor Levinas komt een fundamentele transformatie van de menselijke conditie er nooit. De messias is niets anders dan de plek of niet plek waarvandaan voortdurende profetische kritiek komt en een voortdurend gevecht tegen ‘sociaal onrecht’. Hij is altijd en voor eeuwig komende.(uit ed. Asher en Gad Horowitz, Difficult Justice, Commentaries on Levinas and politics)
(3) Ik bedoel met ‘eigen onvolmaaktheid’ dus niet het ontbreken van eigenwaarde, dat het zelfgevoel ondermijnt, maar een reële inschatting van de eigen plek op de levensweg.

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right