Jesaja 43:21-44:23

Jesaja 43:21-44:23

commentaar BIJ Wajikra
1 Nisan 5783

Een opschorting van het normale strakke regime van offerrituelen?

door 
Rob Cassuto

Het bespreken van een haftara die betrekking heeft op een situatie van 2500 jaar geleden lijkt een futiele zaak.

Het gaat om dat deel van Jesaja (Jesjajahoe), dat vermoedelijk is geschreven door een tweede Jesaja (zgn. deutero-Jesaja) die twee eeuwen later leefde dan de eerste Jesaja. Hij verbleef in ballingschap in Babylonië, het grote rijk dat toen al wankelde onder de aanstormende Perzen en Meden. De Joden konden in Babylon hun normale rituelen in de tempel niet verrichten. Het is niet zeker in hoeverre de Babylonische heersers de Joden vrijlieten in andere aspecten van hun godsdienstoefening.(1)

Tegelijk waren die 70 jaren van ballingschap een kweekbed voor vernieuwing. Geleerden herinnerden zich de oude verhalen, herlazen oude geschriften, bespraken ze en redigeerden ze tot een bruikbaar boek. Eén van hen was Ezra, die de hand zou gaan hebben in de totstandbrenging van een gezaghebbende versie van die geschriften, ongeveer die wij nu kennen als de Tora. Intussen verlangden de ontheemde Joden hevig naar normalisatie van hun situatie, dat wil zeggen om terug naar huis, naar Judea, te gaan en hun normale leven weer op te pakken, het land te gaan bewerken en hun stad en tempel weer op te bouwen.

Jesaja voorzag de val van de machthebbers die hen verbannen hielden en voorvoelde dat een massale terugkeer van de joodse ballingen naar huis op komst was. Zo’n tweede exodus bezingt hij in de verzen die voorafgaan aan het gedeelte dat is gekozen voor de haftara (binnenkort is het Pesach).
De haftara begint met verzen die betrekking hebben op het nalaten van de tempeloffers – en hier ligt waarschijnlijk het verband met de parasja Wajikra (Leviticus/Wajikra 1:1 – 5:26) (2) die ook gaat over de verschillende offers, die in de tabernakel verricht moeten worden. Zo staat er in vers 43:23 van de haftara:

43:23: U hebt Mij niet uw ​brandoffers​ gebracht van kleinvee
en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u Mij niet laten dienen met het ​graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met ​wierook.

Ik denk, dat het hier niet een verwijt betreft. Immers in de ballingschap was er geen tempel voorhanden, waar offers konden worden gebracht. In dit vers gaat het meer om een constatering.  Dat maakt dan logisch dat er staat in vers 43:25:

 Ik, Ik (Anochi, Anochi) ben het Die uw ​overtredingen​ uitwist omwille van Mijzelf, (dwz niet om jullie verdiensten) en aan uw ​zonden​ denk Ik niet.

Je zou dit kunnen opvatten als een divine dispensatie, een opschorting van het normale strakke regime van offerrituelen, iets waartoe een toestand van ballingschap aanleiding geeft. Het gaat immers niet om de rituelen en de offers. Hier uit zich een voorbode van het inzicht, dat de Ene geen offers nodig heeft (3).

Waar gaat het dan om? Al in het eerste hoofdstuk van het boek Jesaja staat een antwoord:

1:16 Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de ​weduwe!

Noten
(1) De profeet Jeremia bepleitte aanpassing aan de situatie waarin ballingen zich bevinden in zijn brief aan hen, Jer 29:7: Zoek de ​vrede​ voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. ​Bid​ ervoor tot de Eeuwige, want in haar ​vrede​ zult u ​vrede​ hebben.
(1) Commentaren op de parasja Wajikra zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Sowieso was de God van de ‘eerste Jesaja’ al geen enthousiast voorstander van offers.
Jesaja 1:11 Waartoe dienen voor Mij uw vele ​offers?
 zegt de Eeuwige
Ik heb genoeg van de ​brandoffers​ van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het ​bloed​ van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right