Ki Tavo

Ki Tavo

commentaar BIJ Dewarim
- Ki Tawo
16 Elul 5784

Een gruwelijke vermaning

door 
Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 26:1–29:8.  

De parasja Ki Tavo 1 beslaat Dewariem 26:1–29:8. Dit bijbelstuk begint heel feestelijk met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem, gevolgd door een passage met regels over de tienden. De rest van de parasja is gewijd aan de uitgebreide beschrijving door Mosjee van een ritueel van zegeningen en vervloekingen, dat uitgevoerd moest worden, als het volk over de Jordaan was getrokken, een ritueel dat een herbevestiging moest betekenen van het commitment van Israël aan de Eeuwige en zijn geboden 2 . Dan volgt de welhaast eindeloos lange reeks vervloekingen en rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning 3 . De zesde alija (leesbeurt tijdens de eredienst), die de vervloekingen bevat, is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija moet lezen bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken'. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewariem (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden uitroepen: ‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.’ (2 Melachiem/Koningen 22:13)

De Tochacha

Ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en literaire begaafdheid bij elkaar gezet, beschreven met een barokke pen, geformuleerd met aan perversie grenzende beeldrijkdom. In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest .
Eigenlijk is de tochacha een waslijst van de gruwelijke ellende die volken elkaar kunnen aandoen. Niet alleen Israël heeft geleden met als dieptepunt de Sjoa. Ook andere volkeren en naties hebben alle morele grenzen overtreden en elkaar lijden en dood bezorgd, Ook het huidige Israël moeten we in een kritisch licht bezien in haar politiek van de laatste decennia en gezien de laatste ontwikkelingen in Gaza en Libanon.

Als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens

Het oude godsbeeld wankelt. Deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat heeft de vraag opgeworpen: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal? Nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid (vaak samengevat in de term theodicee) te lezen ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar gelezen regels en gepleegde gedachten hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Wat God wél is, is onvatbaar - misschien wel op spiritueel niveau te vermoeden als een scheppende en werelddragende energie - , maar één ding is duidelijk: als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens heen. De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede te streven, voor zichzelf, voor de naaste en de gemeenschap.
Wat is het goede? Hierover gaat de Tora. Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, nastreven van rechtvaardigheid in de gemeenschap, trouw, integriteit en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor wie nood heeft, zorg voor de natuur en de leefomgeving, een en ander met gezonde waardering voor eigen kunnen en gepaard aan besef van eigen nederigheid tegen de achtergrond van de eeuwigheid en de tijdelijkheid van ons aardse leventje.

 Sjabbat sjalom!

Noten

1. In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2 en op en elders op de webssite van stichtingpardes.nl  zijn nog andere commentaren te vinden op Ki Tavo

2. Dit is inderdaad uitgevoerd door Jehoshoea (Jozua), zie Jehoshoea 8:30

3.  Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra/Leviticus, in de parasha Bechoekotai . Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde.
Deze reeks vervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.

RC bewerkt sept 2024

Archives

©2026 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right