Ki tisa

Ki tisa

commentaar BIJ Sjemot
- Ki Tisa
20 Adar I 5784

Een korte geschiedenis van God

door 
Rob Cassuto

Sjemot/Exodus 30:11 – 35

Bijbelwetenschappers hebben erop gewezen met soms speculatieve, soms aansprekende argumenten, hoe de Eeuwige in de tijd van de openbaring bij de Sinai allerlei attributen van een stamgod had. Wolken, aardbeving, storm en vuur vergezelden hem.

Maar een opvallend verschil met andere stamgoden springt toch in het oog. Hij wil niet, dat Hij wordt afgebeeld, al verlangt hij wel allerlei parafernalia, die Zijn presentie in herinnering moeten brengen, zoals een ark met cherubs, een tabernakel met menora, een tafel met toonbroden en altaren voor offers van runderen, rammen en wierrook.
Middels zijn dienaar Mozes heeft de Eeuwige de revolutionaire vernieuwing van zijn beeldloosheid en zijn opzienbarende tien geboden in de wereld gebracht.
Te midden van bergachtig gebied werd de naam van een lokale berggod - de naam die later het tetragrammaton JHWH werd – geleend voor dit revolutionaire inzicht.
Onder die naam daalde de godheid af van zijn steile hoogten en werd hij een meer persoonlijke presentie bij de profeet annex leider en zijn volk van Israëlieten. Die hoorden zijn stem niet alleen in de machtige natuurfenomenen, die zich in bergachtige streken voordoen, maar ook in de indaling van een krachtige impuls tot ethisch gedrag, die door Mozes vertaald werd in veeleisende morele en rituele richtlijnen.

In het bijzonder was het - en is het nog steeds - moeilijk om de stap mee te maken, dat de Eeuwige, de goddelijke essentie, niet te rijmen is met enige afbeelding. Deze oefening in geestelijk leven was voor het merendeel te veel gevraagd en toen Mozes in zijn missie op de berg van God lang wegbleef gaven zij gretig toe aan het oude verlangen naar de gebruikelijke vertrouwde totems van dierenbeelden, i.c. het gouden stierkalf, een overtreding die welhaast tot de erfzonde van het Joodse volk mag worden benoemd.
De verhalen van de profeten getuigen van de eeuwenlange strijd tussen de nieuwe religie, van de beeldloze en moreel gedrag verlangende godheid, en de plaatselijke amorele natuur- en vruchtbaarheidsgoden.

De godheid van de Israëlieten was gedurende hun halfnomadisch bestaan nog een jaloerse en na-ijverige godheid, die alleen voor zijn stam was. Hij ervoer kennelijk nog concurrentie en duldde geen andere goden naast zich (Sjemot/Exodus 34:14). Hij hanteerde niet misse sancties als hij miskend werd en strafte dan met epidemieën en dood. Hij eiste militaire verovering en ging voor in de strijd tegen de plaatselijke bevolking.

Ondanks deze martiale trekken moet in de ervaring van de Ene bij de heilige berg toch een wonderlijke kern, een essentie zijn geweest, een surplus dat uitgaat boven lokalisatie in tijd (zeg eind tweede milennium BCA) en plaats (de woestijn van Sin of Paran). Die maakte het mogelijk dat veel later de Eeuwige begrepen kon worden als bovenal een universele god, die de mens aanspreekt in zijn innerlijk en die oproept tot vrijheid, verantwoordelijkheid, fatsoen en compassie.
Dat licht vooral op in Sjemot/Exodus 34:6, als Hij aan Mosjee voorbijgaat en zich omschrijft als machtig, barmhartig, genadig, lankmoedig, vol van liefde en waarheid.
Die vonken van verlichting doen de sintels in ons gemoed ook nu nog oplichten, zoals ze wellicht ook letterlijk de huid van Mozes deden stralen, zodanig dat het volk er bang van werd en hij zijn gezicht moest versluieren (Sjemot/Exodus 33-35) en ook misschien zijn woorden moest versluieren, dat wil zeggen aanpassen en ‘omtalen’ voor de menigte.

RC Herzien februari 2024

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right