Mikeets

Parasja
BIJ Berésjit
- Mikéts
3 Tevet 5781

'Werkelijke ommekeer'

door 
Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 41-44:18

De tien broeders van Jozef trekken naar Egypte om koren te kopen. Ze verschijnen voor onderkoning Jozef, die van slaaf is opgeklommen is tot heerser over Egypte. Zijn voorraadschuren, die dank zij zijn vooruitziende blik zijn gevuld, zijn in de nu aangebroken jaren van hongersnood geopend om koren te distribueren aan de hongerende bevolking. De broers herkennen hun ooit door hen als slaaf verkochte broer niet, maar andersom herkent Jozef hen wel. Hij is geschokt en weet niet zeker of de mannen die voor hem staan het wel verdienen, dat hij zich aan hen bekend maakt. Hij besluit ze duchtig aan de tand te voelen.

Van sommige kanten wordt aan Jozef wel wraakzuchtig en sadistisch gedrag tegenover zijn broers verweten, door hen aan allerlei beproevingen (zoals valse beschuldigingen) te onderwerpen en zijn vader Jacob tot het uiterste ongerust te maken.
Vele joodse commentatoren leggen uit, dat  de onderkoning van Egypte een uiterst subtiel spel speelt om te testen of zijn plotseling uit Kena’an opgedoken broers ook echt van binnen zijn veranderd. Alleen dan kan hij zich veilig en gelijkwaardig aan zijn zozeer gemiste familie toevertrouwen.

Jozef heeft een lastig parcours uitgezet voor zijn broers, waarlangs zij geleidelijk tot besef van schuld zouden kunnen komen en tot inkeer. Immers pas dan, als Jozef merkt dat zijn broers wezenlijk schuld kunnen voelen, kan hij zijn eventuele wraakplannen laten gaan, kan hij kiezen voor het verlangen naar zijn familie, voor de ook altijd levend gebleven liefde; en kan hij zich bekend maken en komen tot ontmoeting en verzoening.

Want dat onderliggende liefde de motivatie vormt voor het complexe gedrag van Jozef blijkt alleen al uit de vele tranen, die hij vergiet tijdens de confrontatie met zijn familie. In de Tora wordt niet veel gehuild. In de Nieuwe Bijbelvertaling komt het zeven keer voor, waarvan het merendeel -  vier keer -  in de scènes van Jozef en zijn familie in Egypte.
Hagar huilt in de woestijn, verlaten en alleen met haar Jishmaël. (Gen. 21:16)
Ezau barstte in tranen uit, tranen van woede en onmacht, toen hij van zijn vader hoorde dat de zegen al was vergeven aan Jacob. (Gen.27:38)
Jacob en Ezau  lieten hun tranen de vrije loop, toen ze elkaar na lange tijd weer ontmoetten. (Gen:33: 4)
Tranen worden door Jozef vier keer vergoten; als hij hoort hoe - na de eerste hindernissen - de broers voor de eerste keer hun schuldgevoelens met elkaar bespreken (Gen.42: 24); als de broers de tweede keer bij hem komen en hij Benjamin bij hen ziet (Genesis 43,30), als hij zich aan zijn broer bekend maakt (Genesis 45,2), en als hij ten slotte zijn oude vader weer ontmoet. (Gen, 46,29)
(Gelachen wordt er in de Tora niet veel. Het merendeel van het gelach wordt gedaan in de scenes rond Avraham, Sarah, Jitschak en Jishmaël. En dan is het vooral uit ongeloof of uit spot. Echt gelachen uit vreugde is alleen te vinden in Gen. 21:6: “‘God maakt dat ik kan lachen,’ zei Sarah, ‘en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen’”, toen Jitschak werd geboren en hij heet dan ook Jitschak, ‘hij zal lachen’ of ‘hij lachte’).

Als de broers na de tweede komst bij de onderkoning op weg naar huis weer worden gesnapt op de door Jozef geënsceneerde diefstal van een bokaal, nota bene bij de jongste broer en lievelingszoon van Jacob, Benjamin, begrijpen ze, dat het hier een beproeving betreft en bekennen ze dat ze grote schuld hebben.
Jehoeda antwoordde (Gen.44:15):
‘Wat kunnen wij u zeggen, mijn heer?
Welke woorden kunnen wij spreken?
Hoe kunnen we ons rechtvaardigen?’
Een mooie midrash (vermeld door Nechama Leibowitz in haar commentaar op Mikets, waaruit ik ook verder heb geput) breidt deze drie zinnen van Jehoeda uit van het hier en nu naar een verder verleden, waarin de zonen van Jacob hun schuld nu ook voelen over vroeger begane wandaden en schoon schip maken.
‘Wat kunnen wij u zeggen, mijn heer?’ Slaat dan op de escapade van Juda met Tamar. (Gen. 38)
‘Welke woorden kunnen wij spreken?’ Slaat op de incest van Ruben met de bijvrouw van zijn vader. (Gen. 35: 22)
‘Hoe kunnen we ons rechtvaardigen?’ verwijst naar de slachting door Shimon en Levi van de mannen van Shechem en de plundering van de stad door de andere zonen van Jacob. (Gen. 34)

Het ultieme bewijs van de werkelijke tesjoewa wordt geleverd als, overeenkomstig de omschrijving van Maimonides, de berouwvolle overtreder later na zijn ommekeer in een identieke situatie belandt en de overtreding níet begaat.
Jozef heeft nu zo’n identieke situatie gecreëerd, door – nadat de ‘gestolen bokaal’ bij Benjamin was teruggevonden -  te eisen, dat de broers zouden terugkeren, maar dat de jongste broer Benjamin als slaaf in Egypte zou achterblijven. Stel, dat Jacobs zonen  hiermee zouden instemmen, dan zouden zij wederom een (half)broer – en wel een volle broer van Jozef, zijn lievelingsbroer – en wederom een zoon van Rachel in de steek laten.

Maar, dat deden ze niet; Jehoeda wierp zich in een ontroerende pleitrede op om diens plaats als slaaf in te nemen, waarmee de volgende parasja ‘Wajigash’ begint.
Dat wordt het moment dat Jozef overtuigd is en zich aan zijn broers kan openbaren.

Dan kan het beeld van psalm 133 bewaarheid worden: Hoe goed is het, hoe heerlijk is het als broeders bijeen te wonen!

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right