Jeremia 2:4-28, 3:4, 4:1-2

commentaar BIJ Bemidbar
- Masé
28 Tammuz 5781

Ons Verbond met de Bron van Stromend water kan worden hersteld.

door 
Baruch Sienna

INLEIDING EN VERBINDINGEN

Deze week gaan we verder met de tweede van de drie speciale Haftarot van Waarschuwing die gelezen worden tijdens de drie weken tussen de 17e tammoez en Tisja be’Av. We pakken de draad weer op waar we de vorige week gebleven waren. De haftara is afkomstig uit Jirmeja 2:4-28. Die wordt door de Asjkenasim met een enkele pasoek besloten, namelijk 3:4; de Sefardim lezen in plaats daarvan de pesoekiem 4:1-2.

Deze extra pesoekiem dienen om de haftara op een optimistische toon te laten eindigen.
Deze ontmoeting met Jirmeja is de laatste in deze jaarlijkse cyclus van haftarot. Die
bevat veel dat we al eerder gehoord hebben: het beeld van God, de Bron van het
stromende water, die door Jisraëel verlaten is (zie Bechoekotai), van Jisraëel als
prostituee, en het gebruik van de klagende term Eicha, die in ons al de klank oproept van
het begin van ‘Eicha’, van de Klaagliederen, voor Tisja be’Av.


Deze week lezen we de samengevoegde parasjot Matot-Masee en hiermee sluiten wij het
boek Bemidbar [Numeri] af.


HISTORISCHE ACHTERGRONDEN EN BIOGRAFISCHE OPMERKINGEN


Jirmeja leefde gedurende de regering van koning Josjiahoe (635 BCE). Deze herstelde de
Tempelcultus en voerde religieuze hervormingen door nadat tijdens een restauratie van
de Tempel een oude rol was gevonden. Men veronderstelt dat dit het boek Devariem was.
Sommige geleerden menen dat Jirmeja de schrijver van het boek Devariem is.


Het koninkrijk Jehoeda was in die tijd gevangen in het kruisvuur tussen de supermachten
Egypte in het zuiden en Babylonië in het noorden. Het noordelijke koninkrijk Israël was al
verwoest door de Assyriërs in 721 v.d.g.j.
Egypte marcheerde door het land Israël om Babylonië aan te vallen, en vocht onderweg
met de Israëlieten bij Megiddo, waarbij Josjiahoe gedood werd. De Egyptenaren werden
echter verslagen door Nevoechadnetsar in 605 v.d.g.j., en Jeroesjalajim kwam onder
Nevoechadnetsars heerschappij. In 586 v.d.g.j. werd Jeroesjalajim met de grond gelijk
gemaakt en de Tempel verwoest. De religieuze en politieke elite werd in ballingschap
gebracht naar Babylonië, maar een restant van de joodse bevolking vluchtte naar Egypte
en nam Jirmeja met zich mee.


DE TEKST VAN DE HAFTARA


“Ook al was je je kleren met zeep, en met een overvloed aan loog, je schandvlek blijf Ik
zien, spreekt de eeuwige God.”
(Jirmeja 2:22)


PEROESJ: ONS COMMENTAAR


“Weg, verdomde vlek.” (Shakespeare, Macbeth, Bedrijf 1:V) Bloedvlekken helpen
inderdaad vaak iemands schuld onuitwisbaar vast te stellen. Het maakt niet uit hoe hard
Lady Macbeth schuiert, ze kan haar handen niet schoon krijgen.

Jirmeja gebruikt in onze haftara eenzelfde metafoor van wassen: Ook al was je je kleren met zeep, en met een overvloed aan loog, je schandvlek blijf Ik zien, spreekt de eeuwige God. (Jirmeja 2:22)
Het Hebreeuwse woord neter is hier vertaald met loog; het Nederlandse natrium en nitraat stammen van de dezelfde wortel. Loog of soda is een chemische base die in Bijbelse tijden als schoonmaakmiddel werd gebruikt. Loog (als bakpoeder) met azijn vermengd (genoemd in Misjlé [Spreuken] 25:20) zou sterk schuimen. Tegenwoordig wordt met loog natrium- of kaliumnitraat (kalisalpeter) bedoeld;
in de Tanach werd er waarschijnlijk natriumkarbonaat mee bedoeld, dat in het
Arabisch natrun heet en dat te vinden is als sediment onder lagen gewoon zout. Een
aantal in Israël groeiende soda- en potashoudende planten werden in olie opgelost om
een vloeibare zeep te maken.


Een tweede woord, boriet, (hier vertaald met zeep) verwijst naar één of meerdere
planten die zeepkruid worden genoemd, (Saponaria). Deze hadden een reinigende
werking, en werden plaatselijk gebruikt in vroege tijden. Saponien is de stof die in
sommige planten aangetroffen wordt en die giftig is als deze wordt ingeslikt. In de
Tanach worden deze benamingen gebruikt om zowel de fysieke daad van het
schoonmaken van kleding en handen te beschrijven (Iov [Job] 9:30) als voor zuivering in
figuurlijke zin. (Iov 22:30).

Als we een daad hebben begaan, die ons verontreinigt, kunnen we ons niet schoon
voelen, hoeveel tijd we ook onder de douche doorbrengen. Jirmeja begrijpt dat wassen
met zeep tevergeefs is, tot we ons gedrag veranderen. Aan het eind van het boek
Wajikra [Leviticus] sprak Jirmeja in de haftara over Jisraëel die God, de Mikwe Jisraëel,
in de steek laat in termen van “het verlaten van de Bron van Stromend Water”. Maar
onze relatie met God kan hersteld worden als we ophouden met het najagen van valse
goden en terugkeren naar de enige, ware God. Dan zal ons verbond met de Bron van
Stromend Water opnieuw gevestigd worden. En als we terugkeren en onze wandaden uit
Gods aanzien verwijderen, belooft Jirmeja deze zegen: dan zullen alle volken gezegend
worden in Jisraëel en zullen ze zich met Jisraëel gelukkig prijzen. (4:2)

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right