Parasja Bechoekotai

commentaar BIJ Wajikra
- Bechoekotai
25 Iyar 5782

Wie straft en beloont?

door 
Rob Cassuto

Wajikra 26:3–27:34

Aan het eind van het bijbelboek Leviticus (in het Hebreeuws Wajikra), in deze parasja, staan na de woorden " als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen " een reeks zegeningen en daarna een reeks rampen, die zich zullen voordoen, "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen” . Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen staan ook weer aan het eind van Deuteronomium (Dewariem).

Er wordt wel gezegd dat de passages in deze parasja Bechoekotai slaan op de periode dat Israël op het punt stond het beloofde land binnen te trekken en nog niet het veertigjarig uitstel over zichzelf had afgeroepen.
Opnieuw worden dan na veertig jaar omzwerving in de woestijn de zegeningen en rampspoedige voorspellingen hernomen; daarop slaan dan de analoge passages in Deuteronomium (in de parasja Ki Tavo).

Waarom zo kort over de zegeningen en zo lang en gedetailleerd over de rampen? Dat lijkt maar zo, zeggen de oude wijzen: de zegeningen worden meteen en in zijn geheel genoten en de rampen worden geleidelijk gedoseerd en dus ook beschreven, naarmate het volk koppig blijft in zijn weerspannigheid, ongehoorzaamheid en afkeer.

Ook wordt gewezen op verschil in formulering van de precondities voor zegen en ramp: Voor zegen is het rechtstreeks en eenvoudig: "als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen ”.
De precondities voor de rampen worden steeds in alle toonaarden herhaald en gaan verder dan alleen het niet houden van de voorschriften: "als jullie mijn wetten versmaden en van mijn voorschriften een afkeer hebben etc.”
Aldus zeggen de Rabbijnse geleerden: goed beschouwd weegt de maat van goedheid van de Ene op tegen de maat van Zijn vergelding.

Een ander punt dat de oude commentatoren opviel was dat bij de zegeningen het alleen gaat om materiële zegeningen als regen op tijd, goede oogst etc. en niet om de beloning van spiritueel geluk of zelfs een "aandeel in de komende wereld'.
Nachmanides zegt ongeveer: het voortleven van de ziel en zijn vereniging met De Ene is de natuurlijke gang van zaken en behoeft geen aparte vermelding, de in het vooruitzicht gestelde materiële voorspoed en de voorspelde rampen zijn de eigenlijke wonderen van Gods ingrijpen. Geen slecht idee: om de voorspoed waarin je nu leeft te ervaren als een wonder.

Maimonides stelt, dat het houden van de Tora en zijn voorschriften voorspoed bewerkstelligt, maar dit is niet de eigenlijke beloning: de voorspoed, materieel, qua gezondheid, stelt de mens in staat in actie en Tora-studie kennis en wijsheid te verzamelen en vooral deze wijsheid garandeert hem een aandeel in de komende wereld, omgekeerd zijn de rampen geen uiteindelijke straf, maar de straf is het afsnijden van het voortleven van de ziel, omdat deze niet voldoende kennis en wijsheid in zich heeft kunnen verkrijgen. Dit lijkt een beetje elitair: wie geld, goed en gezondheid bezit heeft meteen een extra voordeel: hij of zij is in de gelegenheid - zij het met veel reflectie en studie - zijn ziel het eeuwige leven te bezorgen.

Wat vinden wij nu van dit straf- en beloningsysteem, eventueel dus in de verfijnde versie van Maimonides?

Goed beschouwd zit er een zekere logica in. Maar vooral op het niveau van een maatschappij of volksgemeenschap in zijn geheel. Als het volk, zeg het merendeel van een samenleving, Joden of niet-Joden, goed zorgt voor het land, de ouders en de ouderen, de weduwen en de wezen, voor de dagloners (arbeiders), de vreemdelingen, rechtvaardigheid betracht tegenover armen, overtreders, de medemensen fatsoenlijk behandelt en zelfs van hen houdt, en zich niet overgeeft aan allerlei tovenarij, bijgeloof, onrecht, en verzoening zoekt bij overtreding et cetera, zal er een maatschappij zich vormen waarin vrede en voorspoed zich kan nestelen, waar welvaart kan groeien. Het geldt niet voor ieders individueel lot, het gaat om een overall tendens (de Tora richt zich meestal tot het geheel, niet tot de enkeling).

Omgekeerd zal een verwaarlozing en uitbuiting van land en medemens, onfatsoen, uitspattingen, twist, onverzoenlijkheid et cetera, op den duur opstand, op langere duur oorlog en rampen uitlokken.

Het verband is misschien niet zo lineair als de passages van deze parasja suggereren, maar de trend is duidelijk. De geschiedenis laat niet na de bewijzen te leveren, echt niet alleen voor het Joodse volk, voor alle volken die door de geschiedenis heen hebben bestaan en nog bestaan.
Al die gruwelen die in deze parasja met een bijna wellustige poëzie worden beschreven hebben plaatsgevonden en vinden op sommige plekken op deze wereld nog steeds plaats. De moderne tijd verschilt in dit opzicht niet van het verleden.

Het Joodse volk, het Am Jisraël, vormt echter wel het paradigma van deze geschiedkundige wetmatigheid, die door de Tora al zo lang geleden werd opgemerkt en uitgewerkt.
Voor alle maatschappijen geldt: onrechtvaardigheid, wreedheid, haat voor de naaste of de vreemdeling, uitbuiting van medemens en natuur en herhaalde waarschuwingen niet benutten voor ommekeer, veroorzaken op de lange duur twist, oorlog en rampen, ook op ecologisch niveau.

Gaat het dan om die 613 mitswot met al hun rituele kanten, als je die maar perfect houdt? De essentiële boodschappen die uit de oude geschriften opklinken - neem alleen al de tien uitspraken en de voorschriften in Leviticus 19 - gaan over vrede, compassie en rechtvaardigheid en de mogelijkheid van ommekeer ( tesjoewa ).
In de Talmoed wordt gevraagd: waarom werd de Tweede Tempel verwoest, waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? Het antwoord: Omdat er binnen redeloze haat (" sinat chinam ') was (Yoma 9B).

 
Is de Eeuwige nu de Persoonlijke uitdeler van ramp en voorspoed? Nee natuurlijk. Hij schept, werkt en vernietigt in en door de mens, zijn duurzame regels hebben de bemiddeling van de mens nodig in wier geest en hart ze doorwerken of juist niet doordringen, of zelfs afkeer wekken.
Buiten de mens om bestaan ze eigenlijk niet. De mens roept zijn eigen voorspoed en zijn eigen rampen over zich af. Een soort Joodse expressie van de wet van karma.

Dat laat onverlet, dat er een groot gebied van mysterie overblijft en een sfeer van oncontroleerbaar noodlot onze geest blijft bezighouden.
Zoveel rampen aan Joodse gemeenschappen door andere groepen toegebracht lijken zo door en door "onverdiend” in een theorie van beloning en straf, zelfs wanneer men die opvat in de wat ruimere en minder 'schuldbeladen' idee van karma, het schijnbaar complexe weefwerk van oorzaak en gevolg.

Zo letterlijk en lineair kan het allemaal niet bedoeld zijn.
Hebben de Israëlieten die rampen over zich zelf afgeroepen? Of zijn zij op zijn minst ook de speelbal, of meer nog het mikpunt, geweest van de goddeloosheid - letterlijk van God-losheid - van de grotere gemeenschap waarin zij een plek meenden te hebben gevonden?

Archives

©2022 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right