Parasja Haäzinoe

commentaar BIJ Dewarim
- Haäzinoe
12 Tishri 5783

Een poëtische laatste oproep

door 
Rob Cassuto

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjé een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten. Nu krijgt hij op dat thema een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!') bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden 1 .

Een gedicht in vijf episoden

De eerste episode is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.

De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt'. Daarna volgt in de tekst een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (=Israël 2 )  verzadigd raakt en vadsig en vet wordt.

In de derde episode loopt het vadsig en vet geworden volk weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap (galoet) en diaspora zullen zich gaan afspelen. Eerder in Devariem werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller: (28:49): 'Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt'. Maar eerder zagen we al de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht'. 3

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israël als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zichzelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten zijn: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Devariem wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan. 4

Ten slotte, in de vijfde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten. Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjé te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Wie heeft de schuld?
In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjé's boodschap daarbij, dat - als het verkeerd gaat - het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Haäzinoe' zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Mosjé is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een hartstochtelijke herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjé met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door niet God de schuld te geven. Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten

1. Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981

2. Jesjoeroen, poëtische naam voor Israël, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig

3.  Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren die naar de Israelieten vlogen op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zijn rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.

4. Bijv. Devariem 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen', we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.

5.  http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

©2022 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right