Parasja Ki Tisa

Parasja Ki Tisa

commentaar BIJ Sjemot
- Ki Tisa
16 Adar 5783

Een spoor

door 
Rob Cassuto

Alom bekend in deze parasja is het verhaal over de afvalligheid van een deel van het volk rond het gouden kalf. In de nasleep van deze traumatische gebeurtenis heeft Mosjee in een lang proces - en met inzet van zijn eigen heil - verzoening met de Ene zeker gesteld. Aangemoedigd door diens gunstige gestemdheid doet Mosjee een opmerkelijke stap. Hij vraagt om de goddelijke verschijning (kewodècha) te mogen zien (Sjemot/Exodus 33: 18).

‘Wat achter Mij is’

Regelmatig heeft Mosjee de auditieve ervaring van de nabijheid van de Ene, die met zijn middelaar spreekt zoals iemand met zijn vriend spreekt' (Sjemot/Exodus 33:11).
Maar nu vraagt Mosjee om een visuele ervaring van de essentie (paniem) van de Ene. Het zou hem een hart onder de riem steken als de Ene substantieel zichtbaar deel zou blijken uit te maken van de menselijke verschijningswereld. Hoe herkenbaar is dat: een zeker bewijs willen hebben van Gods bestaan? En de ogen zijn toch het meest zekerheid biedende zintuig. Misschien moeten we dit ‘willen zien' opvatten als: willen begrijpen van Zijn essentie.

Maar dat staat de Ene toch niet toe, ‘want geen mens kan Mij zien en in leven blijven'. Hij zal Mosjee op een rots zetten en aan hem voorbijgaan, maar het gezicht van Zijn vriend zal Hij bedekken. Dan volgt: ‘Als Ik dan Mijn handen wegneem, zal je zien wat achter Mij is. Maar Mijn aangezicht mag niet gezien worden' (Sjemot 33:23).

Een mysterieuze en intrigerende zin. In Zijn voorbijgaan is de Ene voor de zinnen afwezig – absolute kennis is niet mogelijk, mag je misschien zeggen - maar in wat achter Hem is, daar waar Hij voor altijd voorbij is, daar waar Hij niet meer is, daar is blijkbaar wel iets waar te nemen. Het is een paradox, die de poging dit met woorden te begrijpen hardnekkig uitdaagt. Dat ‘achter Mij' (achoraj), wat is daar dan te kennen?
Een vrome Talmoed rabbijn zegt: Hij liet de knoop van de Tefillien op het achterhoofd zien (Berachot 7a). De middeleeuwse Rasjbam zegt: het gaat om Gods attributen. Over welke dat zijn (bijv. eenheid, almacht, wijsheid, compassie) is veel getheologiseerd. Een modern commentaar (1) zegt eenvoudig: ‘daden en acties die het bestaan en de aard van God openbaren'.

Levinas

De Joodse filosoof Emmanuel Levinas ziet in deze raadselachtige zin een hoeksteen voor zijn filosofie. Levinas: ‘Hij toont zich alleen door zijn spoor, zoals in het boek van de Uittocht hoofdstuk 33' (2). Voor Levinas is het begrip ‘spoor' een manier om de relatie tussen de onkenbare God en de wereld van de mens te benaderen. Waar deze filosoof zich ophoudt in het grensgebied van wat gedacht en gesproken kan worden, moet men mij ten goede houden als ik zijn behoedzame en eigenzinnige termen als volgt probeer samen te vatten. Dat ‘achter Mij' in Sjemot/Exodus 33:23 wil zeggen dat de Ene een spoor achterlaat. God als zelfstandig ervaarbare entiteit is in de menselijke wereld afwezig. Hij is ‘voorbijgegaan'. Het spoor, dat Hij achterlaat wijst niet naar Hem, maar wel naar al de anderen. Zijn spoor verschuilt zich in het gelaat van de ander, het gelaat dat mijn zelfgenoegzame wereld doorbreekt en mij oproept tot een relatie van dienstbaarheid. Met deze eigenlijk onmogelijke samenvatting laat ik je achter, in de hoop dat een en ander je toch positief te denken geeft.

noten

1.  Meer over Ki tisa zie mijn boek Reizen door de Tora deel 1 
Twee andere commentaren op mijn website

The Torah, a modern commentary , editor W. Gunther Plaut , p. 601. Over deze ‘theofanie' zegt hij opmerkelijk genoeg verder niets.

3. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat), Ambo, 1969, 1987, p. 191.

afbeeldingsbron

©2024 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right