Parasja Sjemot

commentaar BIJ Sjemot
19 Tevet 5783

Vreemdelingen

door 
Rob Cassuto

De familiekroniek van Genesis gaat in het boek Sjemot/Exodus over in de geschiedenis van een natie in wording. Al snel groeien de nakomelingen van Avraham, Isaac en Jacob, uit tot een talrijk volk, zo lezen we in de sidra Sjemot (1). Zij zijn ontkomen aan de honger en zijn op zoek naar een beter leven. Dankzij de bemiddeling van de tot onderkoning opgeklommen Jozef in Egypte hadden zij zich mogen settelen. De farao, die Joseef niet meer heeft gekend en die verontrust is geraakt door het groeiend aantal immigranten aan de grens van zijn rijk, noemt de aanvankelijk vrije immigranten aan de grens van zijn rijk een ‘am benee jisrael', een volk van kinderen van Israël (1:9). Maar dan begint de gedwongen bouwarbeid aan steden (en misschien ook pyramiden). Even verderop in deze sidra, als de onderdrukking door de Farao genocidale vormen heeft aangenomen met als doel de groei van het volk te stoppen, worden de dwangarbeiders ook aangeduid als Hebreeën, ivriem. Dat gebeurt bij de episode van de ‘vroedvrouwen van de Hebreeën’ Sjifra en Poea, die het bevel van de farao om na de bevalling de jongetjes te doden, trotseerden (1:15). De populaire etymologie van de term Hebreeën legt een link met avar, voorbijgaan, overtrekken (van een rivier). Avraham is op zijn weg naar Kenaän rivieren als de Eufraat overgetrokken en wordt een Ivri, een Hebreeër, ‘eentje van de overkant van de rivier’,  genoemd (Genesis/Beresjiet 14:13).  De bekende semiticus en commentator Umberto Cassuto († 1951) legt echter een verband met een andere woordstam die ook in Akkadische en Egyptische documenten voorkomt en die de betekenis heeft van vreemdeling of nieuwkomer in een vreemd land die harde arbeid verricht, zeg maar een antieke vorm van gastarbeider. (2)

De Hebreeën als een met harde arbeid onderdrukte minderheid van vreemdelingen ver van hun land van herkomst, dat is het onderwerp van de sidra Sjemot. De Tora schrijft over hoe die Hebreeën van het juk van de farao loskomen en hoe ze worden tot een vrij volk van Israëlieten, en vraagt in haar voorschriften meermalen nadrukkelijk dit vreemdelingschap nooit te vergeten. Een markant voorbeeld: eenmaal in het beloofde land moesten de eerste opbrengsten van de oogst (bikoeriem) aan de Tempel worden aangeboden met de plechtige recitatie van een beknopte samenvatting van het bevrijdingsverhaal. Daaronder de woorden (Deuteronomium/Devariem 26:5): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen etc.', zinnen die we herkennen als centraal onderdeel van de Hagada, de handleiding van teksten en liederen bij de seidermaaltijd op de eerste twee dagen van Pesach.

Vanaf het ontstaan van het Israëlitische (later Joodse) volk heeft zich in de psyche een diepgaande vertrouwdheid genesteld met het vreemdeling zijn. In Exodus lijkt wel een scenario vastgelegd dat zich talloze malen zou herhalen.
Vele exodussen zijn nog gevolgd, meestal niet vrijwillig. Vele eeuwen Joods vreemdelingschap zijn er nog gevolgd in bijna alle landen van deze wereld! En hoe vaak is het niet voorgekomen, dat net als we denken geen vreemdeling meer te zijn, we er verbaal en soms hardhandig weer aan worden herinnerd.
Ergens binnenin hebben we nog voeling met het vreemdeling zijn en het verlangen naar een ooit komende veilige thuiskomst. Als Joden zijn we het prototype voor allen die zijn gedwongen om huis en haard te verlaten, om elders toevlucht trachten te vinden. Als minderheid in andere landen zijn we gemakkelijk de bliksemafleider geweest voor economische, psychologische en spirituele frustraties. Alertheid op mogelijke ontwikkelingen in die richting is een tweede natuur geworden. Ook in het herwonnen thuisland van de relatief nieuwe staat Israël is die alertheid te midden van een wereld met antizionistische tendensen terecht nog niet verdwenen.

Eigenlijk zijn wij als archetypische vreemdelingen exemplarisch voor het existentiële vreemdelingschap van ieder mens. Israël als pilotproject voor de mensheid. Want zijn we deep down niet allemaal, Joden en niet-Joden, hoe verschillend vaak ook, vreemdelingen op deze aardbol. "… want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn.", zegt de Eeuwige (Leviticus/Wajikra 25:23).
Moeten wij, zonder zin vooraf geworpen in het bestaan op aarde, zoals de existentialistische filosofen beweren, ons leven zelf ontwerpen? Wij willen er liever vanuit gaan, dat in ieder leven een zin verborgen, ontdekt en ontplooid wil worden tijdens het aards verblijf, dat ons is gegeven en dat naarmate je ouder wordt maar een korte tijd in beslag lijkt te nemen. Het besef dat we als mens het vreemdelingschap existentieel met alle andere mensen gemeen hebben, kan ons helpen elkaar met nieuwe en meer liefdevolle ogen te bezien.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Sjemot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website  

(2) U. Cassuto: Commentary on the Book of Exodus, Magnum Press, Jerusalem. 1951,1967, p 13

©2023 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right