Parasja Waèra

commentaar BIJ Sjemot
- Waéra
25 Tevet 5783

Mosjee en de plagen

door 
Rob Cassuto

Sjemot / Exodus 6:2 – 9:35

Als de parasja Waëra (‘Ik verscheen' ) begint, zijn de onderhandelingen met de Farao begonnen. Een eerste terugslag, een verergering van de onderdrukking, was het gevolg van de eerste confrontatie van Mosjee en Aharon met de Egyptische vorst. Aan de ontmoedigde Mosjee heeft de Eeuwige zijn bevrijdingsbelofte herhaald. Als het ware om zijn spreekbuis wakker te schudden en op te roepen zijn missie weer op te pakken. 
Nu maakt de Eeuwige zich opnieuw en uitgebreider bekend: ‘Ik ben de Eeuwige. Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende – ‘El Shaddai' - maar mijn naam ‘Eeuwige' (JHVH) heb ik niet aan hen bekendgemaakt (Sjemot/Exodus 6:2). 
Mosjee en zijn broer Aharon krijgen opnieuw de opdracht naar Farao te gaan en Mosjee beroept zich voor de tweede keer op zijn spraakgebrek. Filologisch gezien lijkt het wel of de teksten over de roeping van Mosjee wat onhandig zijn gemonteerd uit verschillende versies.
In het verhaal past deze herhaling wel als een aansporing aan de twee broers om niet op te geven. Ook in vers 28 lijkt een nieuw begin zich af te spelen met alweer een aanvankelijk tegensputterende Mosjee en een eloquente Aharon. Maar dan wordt het menens en begint de strijd tussen Mosjee en Aharon als kampioenen van de Eeuwige aan de ene kant en aan de andere kant de machtige Egyptische vorst, die dit volk van onmisbare arbeidsslaven niet wil laten gaan uit zijn land, dat beproefd zal worden met de ene ramp na de andere. Hieronder gaan we in op het ‘wonder' van de plagen.


De plagen

Een reeks van natuurgebeurtenissen in opklimmende graden van ernst overvallen Egypte, rampen opgeroepen door de gebaren van Aharon en Mosjee als tekens van de macht van de Eeuwige, waarvoor de koppige vorst van Egypte het hoofd zal moeten buigen.
Tien plagen – ‘makot ' in het Hebreeuws - zijn het die het land teisteren; later zullen die plagen ieder jaar tijdens de feestelijke maaltijd op de eerste twee dagen van Pesach met veel hilariteit worden gezongen uit de ‘hagada', het boekje met teksten en liederen over de Uittocht uit Egypte: ‘Dam. Tsefardea. Kiniem Aroev. Dever Sjechien. Barad. Arbeh. Chosjech. Makat-bechorot' .
Eerst veranderde de Nijl in bloed. Toen werd het land met kikkers bedekt. Daarna zat de lucht vol ongedierte. Toen stuurde God wilde beesten. Al het vee ging dood. Daarna zaten de Egyptenaren onder de builen. Scherpe en ijskoude hagelstenen en vuur vielen uit de lucht. Zwermen sprinkhanen aten het graan op. En toen werd het heel erg donker. Toen werden de eerstgeborenen gedood. De eerste zeven plagen worden in deze parasja Waëra beschreven. De eerste drie plagen zijn natuurverschijnselen, die ook door de tovenaars van Farao kunnen worden gereproduceerd, maar daarna geven ze het op. Na de vierde plaag begint de Koninklijke koppigheid te bezwijken, maar telkens komt de verstokte heerser op zijn toegeven aan de eis van Mosjee terug. In de volgende parasja Bo gaat het verder; de tiende plaag zal uiteindelijk de wil van Farao breken.

Mosjee’s duiding

Hoe benaderen we deze wonderlijke verhalen? Wat is de kern van het gebeuren van de ontmoetingen met Farao en het verschijnsel van de plagen? De benadering van de 20ste-eeuwse joodse theoloog Martin Buber (in zijn versie van Toracommentaar onder de pregnante titel ‘Moses' (1)) is een soort derde weg tussen de weg van de traditionele gelovige, die alles letterlijk neemt en de weg van de filologisch en literair deskundige die de verhalen begrijpt als interessante en boeiende literatuur; daartussen ligt de benadering, die het overgeleverde gebeuren niet opvat als letterlijke kroniek, maar ook niet als zuiver verdichtsel (2). 
Mosjee is dan te zien als de eerste profeet - zij het een zeer bijzondere - in de reeks profeten die Israël gekend heeft. Hij is niet zozeer een tovenaar, die allerlei wonderen bewerkstelligt, maar meer een man die als profeet met een heilige opdracht profetische woorden spreekt en natuurgebeurtenissen, die zeer wel denkbaar plaatsgevonden kunnen hebben - een aantal plagen acht Buber best historisch aanvaardbaar - , profetisch duidt als tekenen van Farao's verstoktheid. In tegenstelling tot de meeste latere profeten heeft hij bij de koninklijke autoriteit uiteindelijk wel succes. Het wonder schuilt in de parallelliteit – dan wel synchroniciteit – tussen enerzijds de opdracht van Mosjee en zijn ontzag wekkend optreden en anderzijds de geweldige en catastrofale natuurprocessen die zich voordoen. De inspiratie van boven en de genialiteit van Mosjee is hierin te vinden, dat hij deze natuurverschijnselen weet te gebruiken in zijn strategie en weet in te vlechten in zijn duiding.

noten

1.
Meer commentaren op deze parasja Waëra in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1.

2.
Martin Buber, Mozes , Servire, 1970; oorspr.: Moses, 1965; meer dan een biografie ook een beknopt commentaar op de Tora

Herzien januari 2023

©2023 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right