Parasja Wajakhel 

commentaar BIJ Sjemot
- Wajakheel
23 Adar I 5782

Kunst

door 
Rob Cassuto

Sjemot 35:1- 40:38 

De parasja Wajakheel, die nu - in tegenstelling tot de meeste jaren - in dit Joodse schrikkeljaar los van de volgende parasja Pekoedee wordt gelezen, begint met (nogmaals) de zevende dag van de week als rustdag af te kondigen, de sjabbat. Dan volgt de oproep door Mosjee aan het volk om alle nodige materialen voor de bouw van de tabernakel (miesjkan) en zijn toebehoren bijeen te brengen, goud, zilver, koper, linnen, huiden etc., zoveel als het hart ingeeft. In groten getale en in ruime mate voldoet men daaraan, meer dan men kan gebruiken wordt gebracht. Mosjee roept een halt toe aan de toestroom en zet de werkers aan het werk. Zo krijgen we in deze parasja een totaalbeeld van de benee Jisrael op het toppunt van inspiratie, creativiteit en toewijding. 

Een artistieke topproductie

Duidelijk is de tabernakel een coöperatief project, waarin iedereen heeft geïnvesteerd. Een betere manier om een commitment te vestigen is er niet. De leiding van het project berust bij de prototypische kunstenaars en ambachtslieden Betsalel, de naamgever aan de kunstacademie te Jeruzalem, en Oholiav. Bestsalel was een echte duizendkunstenaar. Hij was zowel ontwerper en designer als ook uitvoerder; hij was goud- en zilversmid, houtbewerker. Maar onderschat zijn naaste medewerker Oholiav niet. Bij hem lag het accent op wol en linnen weven, borduren en dergelijke. Tegelijk waren beiden ook begaafde docenten, die hun kennis konden overdragen aan de vele anderen die nodig waren om de tabernakel te maken. De constructie van de tabernakel moet een levendig speltakel hebben opgeleverd. Het vergde de inzet van ieders beste vermogens. De beschrijvingen stralen het plezier uit waarmee is gewerkt aan deze ambachtelijke en artistieke topproductie.

Het beeldverbod

Het lijkt of het plezier in beeldende kunsten bij het volk Israëls later vrijwel is verdwenen. Dat hangt samen met de strikte uitleg van de tweede uitspraak van de Tien Woorden, het zogenaamde beeldverbod, dat een grote en stringente doorwerking heeft gehad. (zie hierover mijn desbetreffend artikel , RC).
Dit verbod heeft echter toch vooral betrekking op het cultisch gebruik van mens- en dierafbeeldingen en –symbolen. Bovendien waren beeldende kunstenaars ver te zoeken in de vele eeuwen, dat de Joden leefden in benauwde getto's, armoedige sjtetls en onder de ban van allerlei beroepsverboden.
De creatieve kracht richtte zich vooral op het innerlijk leven, op het onzichtbare eerder dan op het zichtbare, eerder op het onaanraakbare dan op het zintuiglijke. De Haggadot, boeken waarin de gebeden, liederen en verhalen over de exodus waren vastgelegd om gebruikt te worden bij het Pesachmaal, de Seider, bevatten wel vaak allerlei afbeeldingen en prenten, maar die werden beschouwd als louter versiering. Maar alles bij elkaar genomen, het woord was en is in het religieuze Jodendom belangrijker dan het beeld.

De verlichting

Maar in de negentiende eeuw kwamen toch de beeldende kunstenaars uit de getto's en namen de nieuwe vrijheden die de Verlichting en de sociale hervormingen boden dankbaar te baat.
Men zegt wel dat de eerste joodse schilder Moritz Daniel Oppenheim (1800-82) was, geboren in een getto bij Frankfurt. Hij schilderde familietafereeltjes, maar ook een portret van de familie Rothschild, de bankiersfamilie, in gebed.

Meer bekend werd Lieberman (1847-1935) die schilderde in de stijl van Millet. In Nederland kennen wij natuurlijk Jozef Israëls (1824-1911), de schilder van sferische visserstaferelen en gevoelige portretten.Zelf heb ik een geschilderde reproductie van Jacob Meyer de Haan (1852-95), getiteld ‘een moeilijke passage in de Talmoed'.  Het is een tafereel van drie mannen die de een van de lijvige boekdelen van de Talmoed bestuderen. Later ging Meyer op de Franse tour en affilieerde zich o.a. met Gauguin.
De moderne tijd werd ingeluid door Pisarro (1830-1903), een van de founding fathers van het impressionisme. Natuurlijk mogen we de laat 20ste-eeuwse schilders Mark Rothko en Barnett Newman niet ongenoemd laten. Hun monochrome schilderijen ademen in hun egale beeldloosheid als het ware de mystieke onmogelijkheid het transcendente in vorm te vatten.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Wajakhel zijn te vinden in mijn boek  REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website 

Herzien 2022

Archives

©2022 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right