Wajisjlach

commentaar BIJ Berésjit
- Wajisjlach
18 Kislev 5781

Worstelen voor het ontvangen van een zegen

door 
Rob Cassuto

Aan de vooravond van zijn gevreesde hereniging met Esav, bleef Jaäkov alleen achter in het donker en ‘iemand worstelde met hem tot het dag werd.’ De mysterieuze aanvaller verwondde Jaäkov waarbij hij zijn heup ontwrichtte, maar Jaäkov weigerde los te laten, waarop de man hem smeekte met de woorden: “Laat me gaan want de dag breekt aan!” Jaäkov antwoordde: “Ik zal u niet laten gaan tenzij u mij zegent.” De aanvaller vroeg naar Jaäkovs naam en zei hem dat hij voortaan Jisraëel zou heten “omdat je hebt gestreden met goddelijke en menselijke wezens en hebt gewonnen.” (Beresjiet 32:25-29)

Deze raadselachtige passage schreeuwt om een verklaring. Wie was die man en waarom viel hij Jaäkov aan? Waarom had hij zo’n haast om voor het aanbreken van de dag te vertrekken? Hoe lukte het Jaäkov om vol te houden ondanks zijn verwonding?
Als dit een niet-uitgelokte en riskante aanval was, waarom probeerde Jaäkov dan hem voort te laten duren en zijn aanvaller zelfs te vragen om een zegening? Wie doet er nou zoiets?


In welk opzicht is de naam Jisraëel een zegen? En als het echt een zegen is, waarom gaat de Tora dan verder met aan hem te refereren als Jaäkov? Waarom doen ook wij dat? Deze stormvloed aan vragen wordt door de rabbijnen aangepakt en zij bieden vele antwoorden. Volgens de Talmoed (BT Hullin 91b) stelt Jaäkov de man tijdens de worsteling vragen – ben je soms een soort dief dat je bang bent voor daglicht? “Nee,” antwoordt hij, “ik ben een engel en vandaag ben ik als eerste aan de beurt om het ochtend-loflied te zingen.” In een vergelijkbare versie in de Midrasj (Gen. Rabba 78) biedt Jaäkov pragmatisch aan: “Laat dan één van uw vrienden vandaag het loflied zingen, dan kunt u morgen zingen.” De engel antwoordt: “Als ik het vandaag laat afweten, zullen zij zeggen, ‘daar je gisteren geen eer hebt bewezen, kan je dat vandaag ook niet doen.’”

Deze rabbijnse teksten gaan in op twee van onze vragen – de aanvaller was geen man, maar een engel en hij stond te popelen om aan zijn volgende (vermoedelijk plezieriger) taak te beginnen, namelijk het ochtendlied ter verheerlijking van God. Als de aanvaller een engel was, dan zou dit ook onze andere vragen kunnen ophelderen. Jaäkov hield vol omdat hij gewend is aan engelen – zij verschenen in zijn droom in Beth El, toen hij zijn huis ontvluchtte. Volgens de rabbijnen waren de ‘boodschappers’ die door Jaäkov naar Esav waren gestuurd aan het begin van de sidra, ook engelen. Daarvan uitgaande had Jaäkov redenen voor vertrouwen om het spookachtig wezen niet los te laten.

Maar waarom vroeg hij een zegen van de engel? Er zijn twee visies met betrekking tot de rabbijnse interpretatie en zij spelen beide in op het competitieve karakter van Jaäkov. Volgens één visie herinnerde Jaäkov zich dat er engelen verschenen bij de tent van Awraham en Sara en dat zij het bejaarde koppel zegenden met wonderbaarlijke vruchtbaarheid. Waarom zou Jaäkov iets dat minder is krijgen? De tweede verklaring is dat Jaäkov ongerust was over zijn positie in het gezin. Allereerst was daar het voorval met de pap, toen hij misbruik maakte van zijn broers honger om het eerstgeboorterecht veilig te stellen. En dan de geschiedenis met de van de huid van een bokje gemaakte mouw, toen hij misbruik maakte van zijn vaders blindheid teneinde Esavs zegen te stelen. Jaäkov had reden om zich af te vragen of die zegeningen hem echt toekwamen en hoe hij de confrontatie met zijn familie zou aangaan, zelfs na al die jaren.

Omdat de rabbijnen geloven dat deze engel geen willekeurig personage is, maar eerder Esavs hemelse beschermer, geven zij als verklaring dat Jaäkov bevestiging zoekt voor zijn zegeningen, zodat de twee broers, als hij Esav morgen ontmoet, deze nare zaak achter zich kunnen laten. Denk er even aan terug dat Esav een probleem had met Jaäkovs naam – die impliceert beetnemen, wat duidt op het stelen van zowel het eerstgeboorterecht als de zegen van de oudste. (Beresjiet 27:36)
Voorzien van zijn nieuwe naam Jisraëel, zal Jaäkov zijn rug recht kunnen houden tegenover God (Jasjar-El) en dus ook tegenover Esav.

De zegen van de engelen is kennelijk effectief; de dingen verlopen ’s morgens verrassend goed met Esav. In hoofdstuk 35 verschijnt God aan Jaäkov, bevestigt de nieuwe naam Jisraëel en zegent hem. “Tot nu toe heette je Jaäkov. Die naam zul je niet langer dragen: Jisraëel is je nieuwe naam”. (35:10) Vervolgens begiftigt God hem met de zegeningen van het verbond dat Hij met Avraham en Jitschak sloot: talrijke nakomelingen, inclusief koningen en een ‘groot aantal’ volken en het bezit van het Land. Wij begrijpen hieruit dat Jisraëel niet alleen een nieuwe naam is, maar ook een nieuwe identiteit, een kenmerk en mechanisme van een alles overstijgende zegen.

Het is dan ook opmerkelijk dat precies vier pasoekiem later de Tora terugvalt op het noemen van Jisraëel bij zijn originele naam, Jaäkov. Na het geven van de nieuwe namen Avraham en Sara aan Avram en Sarai, werd dit nooit teruggedraaid en de rabbijnen zeggen dat wie hen bij hun originele naam noemt, een positief en misschien ook een negatief gebod overtreedt. Toch blijft Jaäkov, Jaäkov. Dit wordt zelfs vermeld in de pasoek waarin de nieuwe naam wordt gegeven (“Je naam is Yaäkov”) en dit door eraan toe te voegen dat die nu Jisraëel zal zijn. De rabbijnen verzoenen zich met deze dubbelzinnigheid door te stellen dat zijn naam allereerst Jaäkov is en dat Jisraëel op de tweede plaats komt. (Gen. Rabbah 78)

Dit vreemde verhaal en de rabbijnse exegese weerklinken in de Joodse liturgische praktijk. Net zoals de engel, haasten wij ons ’s morgens ook om God te prijzen, het liefst beginnend met het Sjema bij het ochtendgloren en het bereiken van de Amida precies bij zonsopgang. (BT Berachot 9b; Toer en Sjoelchan Aroech, Orach Chajiem 89)
Net als Jaäkov kunnen ook wij het ochtendlied van de engelen vertragen, in elk geval volgens Midrasj Sifre Dewariem waarin staat dat de engelen in de hemel moeten wachten op het bidden van het volk Jisraëel voordat zij hun eigen verheven lied kunnen zingen. (Ha’azinoe 306, interpretatie van Job 38:7)

En ons spiegelend aan God, gaan wij door met de aartsvader Jisraëel bij zijn oorspronkelijke naam, Jaäkov, te noemen door elke Amida te openen met de dezelfde zinsnede: ‘De God van Avraham, de God van Jitschak en de God van Jaäkov.’ Waarom? Wij zeggen niet de ‘God van Avram’, dus waarom zouden we zeggen ‘de God van Jaäkov’? Een creatief antwoord wordt gevonden in het halachische magnum opus van rabbijn Yechiel Michel Epstein (1829-1908): als je de letters van de namen Avraham, Jitschak en Jaäkov in het Hebreeuws telt, is het totaal 13. Als je op dezelfde manier de letters telt van de aartsmoeders Sara, Rivka, Rachel en Lea, is het totaal 13. Als je alles bij elkaar optelt, krijg je 26 en dit is de gematria of getalswaarde van de goddelijke naam.

Hieruit zou je kunnen afleiden dat de moeders en vaders gezamenlijk de werkelijkheid van God aanschouwen. Dit effect zou verloren gaan als we zouden bidden tot ‘de God van Jisraëel’, hetgeen dan een extra letter zou toevoegen. (Aroech Hasjoelchan, OH 113)
Rabbijn Epstein heeft dit vast niet bedoeld, maar hij heeft ons steun verschaft voor niet alleen de traditionele tekst van de Amida, die opent met de drie aartsvaders, maar ook voor de geupdate tekst, zoals velen van ons die uitspreken, inclusief de aartsvaders en aartsmoeders tezamen.

Net zoals Jaäkov, worstelen wij met menselijke en goddelijke wezens. Wij voeren strijd om te begrijpen hoe integer te leven in een tijd van conflict en verwarring. Wij maken ons er zorgen over hoe anderen ons zien en wij willen een zegen zijn voor degenen die na ons komen. Zoals Jaäkov dragen wij complexe identiteiten, en zoals de engel verlangen wij ernaar ons unieke lied te zingen. Wij onderzoeken de voorbeelden van onze voorouders, zowel aartsmoeders als aartsvaders en verbinden hun leven aan het onze. Met het lezen van hun geschiedenis komen wij tot het begrijpen van die van ons, tot het leren worstelen met wereldse en goddelijke zaken, zodat wij het mogen verdienen bekend te staan als zij die hun rug recht kunnen houden tegenover God.

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right