In veel synagoges wordt deze week de haftara gelezen uit Rechters 13:2-25. Ook deze tekst is daar op gebaseerd. In de LJG Amsterdam wordt een 3-jarige cyclus aangehouden en wordt deze week gelezen uit Sjoftim 16:4 - 31.

Rechters 13:2-25

commentaar BIJ Bemidbar
- Naso
9 Sivan 5781

Het leek wel een engel van God

door 
Rob Cassuto

In de parasja Naso (Numeri/Bamidbar 4:21–7:89) staan onder de vele onderwerpen, die te maken hebben met de inwijding van de misjkan (tabernakel) en het aanstaande vertrek van de Israëlieten na het tweejarig verblijf in het kampement bij de berg Sinai nog een aantal andere bepalingen. (1) Een daarvan heeft betrekking op de gelofte een tijd lang nazier te zijn. De nazireeër doet de gelofte geen alcohol of welk druivenproduct ook tot zich te nemen; ook zal hij zijn hoofdhaar niet afscheren en niet in de nabijheid van een dode komen. Ze wijden zich (hun leven lang of een deel ervan) aan God. De haftara gaat over de meest bekende nazier uit de Tanach, Samson (Sjimsjon) en wel over zijn geboorte.

Het geboorteverhaal van de held vertoont een bekend beeld (literair gezien een ‘topos’), dat we vaak zien bij de geboorte van iconische figuren: de onvruchtbare vrouw krijgt onverwacht toch door een engel een kind aangekondigd, zie Sara en Isaac, Chana en Samuel, Maria en Jezus. Een engel verschijnt op het veld aan de vrouw van Manoach (2) en kondigt de tot dan ongewenst kinderloze vrouw de geboorte van een zoon aan, die geen wijn, sterke drank of onrein voedsel tot zich zal mogen nemen, zijn haar niet mag afscheren, kortom die een ‘nazireeër zal zijn voor God’ en ‘die een begin zal maken met de verlossing van Israël van de Filistijnen’. Het uitzonderlijke van het nazireeërschap van Samson was, dat hij in de buik van zijn moeder al ertoe was voorbestemd, hoewel de gelofte normaal gesproken een bewust besluit eiste van een volwassen man.(3)

De vrouw brengt verheugt haar man de tijding ‘en vertelde hem dat er een Godsman bij haar was geweest. “Hij zag er bijzonder ontzagwekkend uit”, zei ze, “het leek wel een engel van God”’. Manoach bad en vroeg om de man Gods nogmaals te laten verschijnen en waarachtig, hij kwam weer bij de vrouw die Manoach er snel bij haalde. De engel herhaalde zijn aankondiging en zijn instructies en Manoach nodigde hem uit om een geitenbokje voor hem klaar te maken, maar de engel sloeg dat af en stelde voor het als offer aan de Eeuwige te brengen. Dat deed Manoach en tot hun verbijstering steeg de engel in de vlammen op ten hemel. De geschrokken man viel op zijn knieën, bang als hij was te sterven nu ze een goddelijke verschijning hadden gezien, maar vrouwen hebben vaak een dieper zicht op de gebeurtenissen. Zijn echtgenote zei: ‘Als God ons had willen doden, had hij vast ons offer niet aanvaard en ons niet laten zien wat we nu gezien hebben. En dan had hij ons daarnet zeker niet zulke beloften gedaan.’

In de tijd van de Rechters vormden de stammen een los verband van voornamelijk wederzijdse militaire bijstand in noodgevallen. En dat gebeurde nogal eens, als Ammonieten, Midjanieten, Filistijnen en andere buurvolken hen weer eens in het nauw hadden gebracht. Dan herinnerden ze zich die bijzondere ene God van Mozes, die ooit hen uit de handen van de Egyptenaren had gered en wiens tabernakel nog stond in Sjilo. Die God werd, hoewel al als enig en onzichtbaar aangemerkt, toch sterk gepercipieerd met de trekken van een soldateske stamgod, die dan steeds weer, al dan niet middels een engel, een redder uit het volk aanwees, de zogenoemde Rechters.  Het waren allen aanvoerders in de strijd die (een deel van) de stammen verenigden en de tegenstanders al dan niet met meer of minder strategie versloegen. Zo gingen Otniël, Debora en Barak, Gideon, Jefta (Jiftach) en anderen Samson voor. Met Samson was het een ander geval; met de lichamelijke kracht van één krijgsheld zou Israël van zijn Filistijnse onderdrukkers verlost gaan worden.

Als we over zijn hele leven lezen zien we een man voor ons oprijzen vol hartstocht, ongeduld, lichtgeraaktheid, geweld en ontvlambaar voor vrouwen. Juist op hem rustte de last van het nazireeërschap, waar onthouding van wereldse lusten de gelofte is. Dat ook zijn moeder al tijdens de zwangerschap zich hield aan de regels van de nazier kon niet verhinderen, dat de sterke man toch uiteindelijk zou bezwijken aan de verleidingen. We zien hem worstelen om zijn erotische en agressieve aandriften tevergeefs in de hand te houden. Zijn avonturen spelen zich allen af rond vrouwen en de frustraties, die hij aan hen opdeed vormden zowel de aanleiding tot heldendaden als de oorzaak van zijn ondergang.

Noten

(1) Commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) De Talmoed levert over dat haar naam Tzelelponit was (Bava Batra 91a, waar in een aantal andere moedernamen worden genoemd, die in de Tanach niet worden vermeld)
(3) Sjimsjon was nazireeër van de baarmoeder tot het graf. Bijbelwetenschappers dateren het optekenen van de passages over de nazir in Bamidbar/Numeri later dan de verhalen van Sjimsjon; die optekening zou dan de bedoeling hebben gehad om deze wat duistere mystieke gelofte van afgezonderdheid van de samenleving aan grenzen te binden. Vandaar dat hij is ingekleed als een gelofte die een tijdelijke aard heeft en die met de benodigde plechtigheid kan worden beëindigd.

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right