Jozua 2:1-24

commentaar BIJ Bemidbar
- Sjelach-Lecha
23 Sivan 5781

Het is nooit te laat om ommekeer te doen.

door 
Rob Cassuto

In de parasja Sjelach lecha lezen we hoe na twee jaar zwerftocht door de woestijn de Israëlieten zijn aangeland bij de grens van Kanaän. Vanuit het kamp worden twaalf mannen uitgezonden om het beloofde land incognito te verkennen en de morele en militaire kracht van de bewoners in kaart te brengen. De missie resulteert in een ontmoedigend verslag door tien van de twaalf uitgezondenen, hetgeen weer een grote crisis tot gevolg heeft onder het volk. (1) Pas veertig jaar later is een nieuwe generatie weer aangekomen bij de grens en zendt de opvolger van Mozes en nieuwe leider Jozua (Jehosjoea) vanuit Sjittim ten oosten van de Jordaan twee mannen de rivier de Jordaan over om het beloofde land te verkennen, in dit geval de stad Jericho en omgeving. Daarover gaat de haftara, het begin van het tweede hoofdstuk van het boek Jozua.

In Jericho aangekomen vinden de twee spionnen – de midrasj oppert, dat het Kaleb en Pinchas zijn (2) - een schuilplaats bij de prostitué (zona) Rachab (Rachav), die een woning heeft in de stadsmuur. Hoe ze daar gekomen zijn vermeldt het verhaal niet. De koning van Jericho heeft er lucht van gekregen en hij sommeerde Rachav de mannen uit te leveren. De slimme vrouw had ze verborgen op het dak onder bundels vlas en zei met overtuiging dat de twee gezochten allang door de poort vertrokken waren, geen idee waarheen. De koning liet een achtervolging in gang zetten richting Jordaan. Daarna liet Rachab de mannen tevoorschijn komen. Ze vertelde, dat de inwoners van Jericho gehoord hadden over de wonderlijke doortocht van de Israëlieten door de Rietzee en over de recente nederlagen van de machtige koningen Sichon en Og ten oosten van de Jordaan, zaken die grote angst hadden veroorzaakt. Rachab zei, dat de God van Israël wel een God moet zijn die macht heeft in de hemel en op aarde. De verovering van de stad was niet meer te vermijden.

Ze stelde de twee spionnen voor hen met een koord uit het raam van haar muurwoning te laten zakken naar buiten de stad op voorwaarde dat de Israëlieten haar en haar familie zouden sparen als ze de stad hadden veroverd, wat ongetwijfeld zou gaan gebeuren. De spionnen gingen daarmee akkoord als Rachab haar familie dan op dat moment in haar huis zou hebben verzameld en als teken daarvan het rode koord, waarmee ze nu neergelaten zouden worden, uit het raam zou laten hangen. Zo gebeurde het; de twee mannen hielden zich drie dagen schuil in het bergland en staken toen de Jordaan weer over. Ze meldden zich bij Jozua en ‘ze zeiden hem: “De Eeuwige heeft ons het hele land in handen gegeven, de inwoners zijn doodsbang voor ons.’’’ (2:24)

Uit het verhaal springt Rachab als een bijzondere vrouw naar voren. Ze besefte dat het volk van Israël onder bescherming stond van een heel bijzondere godheid en voorzag met een bijna profetische blik dat het lot van haar stad bezegeld was. Niet alleen heeft ze gezorgd voor levensbehoud voor haar en de haren. Met het partij kiezen voor de Israëlieten en de hulp aan de spionnen had ze de kans gegrepen om uit haar miserabel leven als hoer te stappen en ommekeer te doen naar een waardiger leven. Bij de regel ‘Ze liet de spionnen langs een touw door het venster naar beneden zakken.’ (2:15) noteert de commentator Rasji (11e eeuw), dat met hetzelfde koord haar minnaars naar boven kwamen om haar te bezoeken. Volgens de middeleeuwse meester zei Rachab: “Meester van de wereld met dit koord heb ik gezondigd, om dit koord (waarmee ik nu de mannen van uw volk redt) vergeef mij”. Het is nooit te laat en voor iedereen en in iedere levenssituatie mogelijk om ommekeer te doen. 

Rachav, haar familie en bezittingen werden na de spectaculaire val van de muren van Jericho en bij de meedogenloze verovering van de stad inderdaad gespaard en ze sloot zich als een soort voorloopster van Ruth aan bij de Israëlieten. De midrasj (3) knoopt er nog een romantisch staartje aan, ze zou getrouwd zijn met Jozua en haar afstammeling was de profetes Hulda (Choelda), die aan koning Josia (7e eeuw BCE) bevestigde dat de boekrol, die bij de restauratie van de tempel gevonden was, inderdaad de woorden van de Eeuwige bevatte.(4)

Noten
(1) Commentaren op de parasja Sjelach lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Midrasj Tanchuma Sjelach 1
(3) Talmoed Megilla 14b
(4) Zie 2 Koningen 22:14, men veronderstelt dat de wetsrol een (voorfase van het) boek Deuteronomium was

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right