Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die gelezen wordt bij de parasja Besjallach.

Rechters 4:4-24

commentaar BIJ Sjemot
- Besjallach
15 Shevat 5781

Deborah, leider en profetes van de Israëlieten

door 
Rob Cassuto

De parasja Besjalach (Sjemot/Exodus 13:16-18) (1) beschrijft hoe het Egyptische leger de uit het land wegtrekkende Israëlieten die net aan de macht van de farao zijn ontsnapt achtervolgt tot het vertwijfelde volk aan de Rietzee staat. De zee splijt voor hen en geeft hen doortocht, maar sluit zich boven de Egyptische soldaten, die verdrinken. Mozes heft een loflied aan over dit wonder. Zijn zuster Mirjam zingt en danst met de vrouwen een reidans.

De haftara vertelt in het boek Rechters (Sjoftiem) een vergelijkbaar verhaal over een wonderlijke overwinning onder leiding van de rechter en profetes Debora (Devora) en legeraanvoerder Barak op de overheersende Kanaänieten. Hoewel niet tot de haftara gerekend hoort de lofzang van Debora en Barak over deze overwinning (hfst 5) er als poëtische afsluiting eigenlijk wel bij.

In de tijd van de Rechters (sjoftiem) was het land Kanaän maar gedeeltelijk in handen van de stammen van Israël. Soms kregen andere volken tijdelijk de overhand over de stammen Israëls. Een periode van onderdrukking wordt in deze verhalen meestal ingeleid met een mededeling in de trant van Rechters 3:7 (bij eerste rechter Otniël): En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Eeuwige, en zij vergaten de Eeuwige, hun God (en gingen andere afgoden dienen). Diens toorn uitte zich dan gewoonlijk door onderdrukking toe te laten door andere Kanaänitische volken of naburige naties. In hun wanhoop wendden de Israëlieten zich dan weer tot hun verwaarloosde Ene god om te smeken om uitredding. Na enige tijd stond er een dapper en rechtvaardig man op om leiding te nemen in de strijd en de Israëlieten weer voor jaren rust en veiligheid te bezorgen. Dit patroon zou zich eindeloos herhalen tot en met de laatste koning van Juda.

In het boek Rechters traden over een aantal eeuwen twaalf rechters op. Debora was de vierde, de vrouw van Lapidot  - iesja lapidot, hetgeen ook wel geduid wordt als ‘vrouw van vuur’ (lapid = fakkel). Het moet een fascinerende vrouw zijn geweest, een van de zeven tot profetes gerekende vrouwen in Tanach (2). De verteller van dit verhaal heeft geen enkel probleem met het vrouw zijn van de leider en profetes van de Israëlieten, wier naam behalve ‘bij’ ook ‘spreekster’ betekent.
Rechters 45: Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe. (3)

In die tijd maakte koning Jabin (Javin) van Hazor (Chatsor) de dienst uit in Kanaän. Hij had een sterk leger van 900 ijzeren strijdwagens onder bevel van generaal Sisera. Twintig jaar lang onderdrukte hij de Israëlieten, zodat ze niet durfden reizen en zich opsloten in hun dorpen. Ze riepen weer tot de Eeuwige om verlossing.

Debora moet in vervoering hebben gezien hoe Sisera en zijn leger verslagen konden worden en liet de legerleider Barak bij zich komen en verzekerde hem dat de overwinning bij de berg Tabor voor hem zou zijn. Barak wilde alleen optrekken als Debora mee zou gaan, hetgeen ze toestemde met de woorden dat er voor u geen eer te behalen (zal) zijn, want de Eeuwige zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw.

Daarmee bedoelde ze niet zichzelf zoals later zal blijken. Barak daalde met tienduizend man van de stammen Zebulon (Zevoeloen) en Naftali de berg Tabor af en overviel de strijdwagens van Sisera in het dal van de beek Kisjon, waar de wielen – waarschijnlijk mede door een wolkbreuk – in de modder raakten. Het leger van Sisera raakte in verwarring en werd verpletterend verslagen. Barak achtervolgde de generaal, die te voet vluchtte en onderweg zich verschool – en hier komt de tweede vrouw in het spel – in de tent van Jaël, de vrouw van een - naar Sisera aannam - bevriend stamhoofd. Maar Jaël had andere plannen. Ze sloeg de van uitputting in slaap gevallen gast een pin door de slaap en offreerde de voorbijkomede achtervolger Barak het dode hoofd van zijn vijand.

Debora zingt na de overwinning samen met Barak (4) het lied van Debora, een lofdicht, een poëtisch verslag, dat hen uit het hart lijkt op te wellen. Het wordt door de filosoof en religiewetenschapper Martin Buber en andere bijbeldeskundigen gerekend tot een van de oudste teksten van Tanach. De woorden juichen in ruige metaforen de blijdschap uit over de herwonnen vrijheid. Ze getuigen van een geloof in een god, die geen afgod meer is, maar die als onzichtbare maar levende presentie omziet naar het volk en de krachten van de natuur voor hen inzet, als dat volk zich tot hem wendt. Het is een eenvoudig oergeloof, waar we als verlichte rationele mensen soms jaloers op kunnen zijn. Martin Bubers omschrijving drukt hun godsbeleven goed uit: “Een 'monotheïstische idee” is hier niet geconcipieerd en niet uitgesproken, maar de facto, in de feitelijkheid van het geloofde leven, bestaat er voor de mens van dit lied slechts de éne God en kan er alleen deze éne bestaan. Dat deze God in het onweer naderbij komt, in een onweerswolk vanuit het zuiden (5:4) die losbreekt over het wagenpark van de vijand, betekent niet dat hij, zoals de Hadad van de Syriërs, 'een weer-god' is, maar dat hij de God óók van het weer is. Zoals hij niet, als de Assur van de Assyriërs, 'een krijgsgod’ is, maar óók alleen oorlog voert, zijn vijanden bestrijdt en ze overwint. Hij, 'die op de donkere wolk rijdt', (…) is geen regengod, maar de God, die het óók laat regenen. En hij komt niet, zoals men pleegt te zeggen, van de Horeb (Chorev, andere naam voor de berg Sinaï, RC), waar hij zou wonen, daarvan is hier helemaal geen sprake, maar hij komt met het komende onweer en treedt vanuit het duister naar voren, om de scharen van zijn volk te leiden in de strijd.’ (5)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Besjalach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De zeven profetessen zijn Sara, Mirjam, Debora, Channa, Avigaïl, Chulda en Ester
(3) De ‘palmboom van Debora’ (tomer Devora) is ook de titel van een boek van Mozes Cordovero (16e eeuw) over de navolging van de attributen van de Eeuwige, een populair boek bij moesarniks en kabbalisten, in het Nederlands verkrijgbaar bij PaRDeS: Dadelpalmboom van Debora (vertaling: drs. Henk J. Huyser). Kijk in de boekwinkel. Te bestellen voor slechts € 17,-.
(4) Debora, een vrouw als een fakkelvuur (lapid) en Barak, hetgeen ‘bliksem’ betekent: een vurig duo dus!
(5) Martin Buber heeft de geloofsessentie van het Jodendom van Tanach onderzocht in zijn boek ‘Het geloof der profeten’, Servire, 1972. Mijn citaat is uit hfst 1, de geschiedzang van Debora, p.15 ev.

Archives

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right