‘Zo komt het licht binnen’ – een dialoog over bemoediging in onzekere tijden

door Barbara de Kort en Willem van der Meiden op 29 april 2021

Proloog

Barbara de Kort (1953) en Willem van der Meiden (1954) kennen elkaar vanuit hun studententijd vanaf 1972 aan de theologische faculteit in Utrecht. Ze waren en zijn bevriend en werkten samen aan workshoppapers en binnen de studentendisputen Vinculum en Terzake.
Barbara werd al spoedig godsdienstdocente, eerst in het voortgezet onderwijs, vervolgens in het opleidingsonderwijs. Zij werkte jarenlang aan de protestantse Marnix Academie te Utrecht. Zij was in het (leraren-)opleidingsonderwijs actief als docente, opleidingsmanager, nascholer, lid van het College van Bestuur en onderzoeker. Ze promoveerde in 2019 op een onderzoek naar identiteitsontwikkeling van en in een lerarenopleiding. In 2020 ging zij na een onderwijsloopbaan van 44 jaar met pensioen.
Willem zocht zijn heil in de journalistiek en werkte voor de tijdschriften Open Deur, HN Magazine, kerkelijke jeugdbladen en Volzin. Daarnaast was hij 18 jaar lang communicatieadviseur van Stek – voor stad en kerk – in Den Haag en was en is hij theologisch inspirator van de Vrijzinnigen Driebergen. Hij promoveerde in 2009 op een onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse kinderbijbel.
Beiden zijn na hun studie in Utrecht blijven wonen, maar Barbara verhuist binnenkort naar Zoutelande. Barbara en Willem schreven samen een dialoog uit die zij via e-mail voerden over hoop- en zingevende ontdekkingen in coronatijd.

1. Barbara aan Willem, 9 april 2021

Als we het coronavirus opvatten als een wake up call, wat zou er dan moeten of kunnen veranderen in onze wijze van leven, werken en denken om dichter bij een goed leven voor allen op een leefbare aarde te komen? En welke bronnen inspireren ons daarbij?

Dat is ons gevraagd en dat is nogal wat. Ik heb voor het gemak maar een spoor in die vragen ‘gekozen’ en ben op grond daarvan gaan denken. Het spoor: een tekst, wat mij betreft liefst met illustraties. Bedoeld om lezers via de beelden ‘mee’ aan het denken en filosoferen te zetten. Ik vind een dialoog een mooie vorm, we kunnen die misschien zo opzetten dat we – bij wijze van spreken – elkaar aan het denken zetten – dat doen we natuurlijk sowieso al, dat denken, maar als een soort stijlvorm. Verhalend, met wellicht de oproep om ook zelf zulke verhalende denksessies op te zetten.

Leermomenten uit de coronacrisis… Voor mij gaat het niet zozeer om ‘uit iedere crisis, dus ook uit de coronacrisis valt te leren’, ik heb eigenlijk ook geen leermomenten in die zin dat ik denk: ‘dat ga ik dus voortaan anders aanpakken’. Ik ervaar een en ander meer als ‘ontdekkingen’ die (mogelijk toevallig door deze crisis) op mijn pad kwamen. Een paar voorbeelden.

Matthijs van Nieuwkerk deed in zijn nieuwe show op zaterdag een blokje ‘humeurmanagement’, met een toespitsing op de vraag: ‘waar word je (in deze sombere tijden) vrolijk van?’ Ik werd van dat blokje alleen al vrolijk en dacht: ik word vrolijk van wat mij onverwacht ‘overkomt’, mij toevalt, het is er en was niet gepland of tevoren gedacht en verwacht. En ik word dan meteen vrolijk van het feit dat zich dat ook telkens voordoet, dat ongedachte, dat je emotioneert, aan het denken zet, vrolijk maakt, doet liefhebben of wat dan ook. Ik noemde in een blog de coronacrisis aanvankelijk een grinding halt – een soort noodstop. Maar gaandeweg zie ik, toevallig, telkens van die onverwachte dingen of toevalligheden die vrolijk maken, op gang brengen, aan het denken zetten, en daarbij is dus eigenlijk helemaal geen sprake van een grinding halt. Juist omdat onze normale jacht van het leven en in het leven tot stilstand is gekomen, lijkt het wel dat deze onverwachte zaken nadrukkelijker oppoppen.

Een van die zaken die bij al die (meestal) vrolijk makende toevalligheden opviel, is dat die toevalligheden mij ook brachten bij het belang van en de kracht van taal. En tegelijkertijd het tekortschieten van taal als middel om ook zin en betekenis te benoemen. ‘Toevallig’ kwam ik het begrip ‘nataliteit’ van Hannah Arendt weer eens op het spoor. Een prachtig en krachtig begrip, maar breng maar eens onder woorden hoe je dat begrip van betekenissen zou kunnen voorzien. Gisteren was ik even heen en weer naar Zeeland, ik zag onderweg, met prachtige wisselende luchten (van bijna aardedonker tot stralend blauw) de lente overal uitbarsten. Dat beeld van overal levensdrift, met bijna ongegeneerd uitbarstend groen, dat geeft voor mij ‘nataliteit’ op vrolijke en ontroerende wijze betekenis.

Ik zie taal overigens wel overal stempels op drukken: het bekende oorlogsjargon als het om het bestrijden van corona en ook andere zaken gaat, in het onderwijs onmiddellijk vertaald in ‘achterstanden’ en bakken met geld die (onder zware verantwoordingslast, want ja, je zou misschien de neiging hebben om dat geld te verspillen…) achterstanden zouden kunnen ‘bestrijden’, ik zie ‘onmacht of onkunde of onvermogen’ vertaald in krachtig ‘ik lieg niet’ (alsof het uitsluitend om een vreemd soort moraliteit gaat), kortom: toenemend verhullend en daarmee sturend en bepalend taalgebruik. Dat maakt dat ik ook denk dat de eerdergenoemde toevalligheden ook hier zorgen voor een soort onderbreking, voor even pas op de plaats ten aanzien van taal en de betekenisverleningen die ermee samenhangen. Voor weer even bezinnen, in de zin van ‘bij zinnen komen’. Bij dat laatste heb ik, zeker als het om onderwijs gaat, talloze voorbeelden.

Wat eerste flarden, maar wellicht zijn ze goed genoeg om ons gesprek te starten en nodigen ze je uit om er jouw ervaringen naast te zetten.

2. Willem aan Barbara 11 april 2021

Onderwijs is jouw ‘veld’, ‘kerk’ misschien meer het mijne. Wij nemen in Driebergen – waar ik theologisch inspirator ben bij de Vrijzinnigen Driebergen in de Parklaankerk – af en toe een viering op in de kerk, vooral die waar ik zelf in voorga. Daar zijn vier of vijf mensen bij betrokken, die erg hun best doen om er iets van te maken: een of twee technici, een organist of pianist, een zangeres en ik zelf. We nemen die viering op in de volgorde van de liturgie, meestal twee dagen tevoren, zodat er nog enige montage gedaan kan worden.

Als we ze bekijken, valt er altijd iets te verbeteren, want we zijn wat techniek betreft geen professionals, maar ik ben als ik ze terugzie ook altijd apetrots. Ik was aanvankelijk sceptisch over deze aanpak, vond het heel veel minder dan live vieringen, maar ik kom daar wel van terug. En wat blijkt: er kijken naar deze vieringen meer mensen dan er normaal gesproken live bij zijn! We krijgen heel goede en dankbare respons en mensen zijn sowieso blij dat ze het (mooie) kerkje weer van binnen zien en herkenbare gezichten zien en bekende en onbekende teksten en liederen te horen krijgen. Dat wij hun best doen voor hen, dat vinden ze ontroerend (terwijl we ons best ook best voor onszelf doen).

Ik leer daarvan. Onder andere dat het ongebreidelde geloof in de menselijke creativiteit dat ook in kerkelijk Nederland opgeld deed in het begin van de crisis met enige argwaan benaderd moet worden. Het gaat niet zozeer om impulsieve creativiteit, om de kracht van het idee, maar toch ook om inzet en taaie volharding, genoegen nemen met amateurisme. In een van de eerste opnamen vertelde ik dat ik vanaf de kansel iedereen zag zitten op de stoelen – wat natuurlijk niet zo was – en kreeg terug dat mensen dat prachtig vonden en zelf ook het idee hadden aanwezig te zijn en mee te doen. Bezield illusionisme.

Dit even als inleiding en frame. There’s a crack in everything, that’s how the light comes in (Leonard Cohen in Anthem). Ik herken je blijdschap om het toeval. Ik ervaar het ook zo dat dingen, mensen, gebeurtenissen je kunnen ‘toevallen’, je kunnen overkomen en dat in deze tijd mijn ontvankelijkheid daarvoor is gegroeid. Ik houd mij verre van alle berichtgeving over wat er misgaat in ziekenhuizen en verpleeghuizen of over mislukt regeringsbeleid of falende vaccinatieplannen. In het begin maakte de pandemie me erg onrustig, maar dat is voorbij. Wat me wel zorgen baart, is dat ik gedacht had dat ik na mijn parttime pensionering een ongeremde creativiteit kon ontwikkelen met allerlei nieuwe projecten. Daar komt het nog niet van, ook natuurlijk omdat we mee zorgen voor de twee kleinkinderen, die lange tijd niet naar school en kinderopvang konden, en voor mijn stokoude vader die in Twente woont.

Maar nieuwe ontvankelijkheid is voor mij wel een centraal woord. Nieuwe nieuwsgierigheid ook – ik prijs me gelukkig dat ik als journalist en voorganger ook in deze tijd in contact mag komen met mensen die iets te vertellen hebben en die me weer op nieuwe ideeën brengen. Verhalen verzamelen en doorgeven – daar word ik blij van.

Ik merk dat ik als ik dit opschrijf privé en algemeen aan het mixen ben en misschien is dat ook wel een gevolg van Covid. Je leert jezelf beter kennen en je staat meer open voor anderen, omdat je wereld kleiner is geworden. Ik merk ook dat ik mezelf blijf voorhouden dat de wereld groter is dan corona, Rutte en het RIVM en dat ik het zorgwekkend vind dat er geen haan naar kraait dat wij geen kinderen uit de Griekse vluchtelingenkampen opnemen dat we geen belangstelling meer hebben voor wat er in landen als Syrië gebeurt… Maar die bezorgdheid daarover bedwelmt me niet.

Ik ondervind troost in het bezig zijn met theologie. Zowel in de praktijk van het voorgaan in vieringen, maar ook in redactie- en annotatiewerk – gepriegel - voor de Miskotte Stichting. Ik word er niet vromer van, maar raak wel steeds weer geboeid door de onvoorstelbare rijkdom van Bijbelse verhalen én van hun interpretatiemogelijkheden. Mooi vak hebben we!

Je had het over Matthijs van Nieuwkerk: in het begin van de crisis hadden ze enkele avonden ‘troost-televisie’, bedacht door Paul Haenen. Een soort verzoekprogramma voor ’s avonds laat. Plus in het weekend herhalingen van beroemde voetbalwedstrijden of Elfstedentochten. Dat vond ik creatief en ik had eerlijk gezegd verwacht dat dat een traditie zou gaan worden. Ik kijk liever naar een oud concert van Theodorakis, Parijs-Roubaix van 1978 of een tachtig jaar oude film, dan het zestiende praatprogramma over Covid of AstraZeneca.

Tot zover maar. Als jij hierop weer reageert, bereiken we vanzelf een punt waarop wat we vertellen ‘op een noemer’ kan worden gebracht. Als het maar dialogisch blijft en ik ben erg voor het vinden van beelden – mag van mij ook een bestaand YouTube-filmpje zijn. Herinner je je nog Andrea Bocelli op de trappen van de Dom van Milaan, helemaal alleen Amazing Grace zingend?

3. Barbara aan Willem, 12 april 2021

Ik vind dat mooie termen: nieuwe ontvankelijkheid en nieuwe nieuwsgierigheid. En wellicht gaat het zelfs om weer opnieuw gevonden of herwonnen ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid. Het ontvankelijke en nieuwsgierige is wat mij zo mateloos boeit aan (jonge) kinderen. Ik lees dat jij al in het grootvaderlijk stadium bent beland. Wij zijn nog niet zo ver. Ik hoop zelf nog een vrolijke oma te worden, die nieuwsgierigheid zal stimuleren en ‘op zoek gaan’ (naar avonturen). En ik weet dat ik op dat punt ook weer kan leren van kinderen (en mogelijk dus ook van onze eventuele kleinkinderen).

Ik kom op dat thema van herwonnen ontvankelijkheid, omdat ik actief betrokken ben bij het oprichten en inrichten van een Landelijk Expertisecentrum Jonge Kind. Dat centrum komt er omdat educatie aan jonge kinderen wat ‘in het slop’ is geraakt. Het verdwijnen van kleuterjuffen en -meesters, van kleuter- en lager onderwijs zorgde mede voor die dip. Sinds 1985 hebben we het basisonderwijs, met prachtige ideeën over doorlopende ontwikkel- en leerlijnen, differentiatie en onderwijs op maat, emancipatie en kansengelijkheid. Van het denken in doorlopende ontwikkellijnen is weinig terecht gekomen, onderwijs aan jonge kinderen werd meer en meer gemodelleerd naar aanpakken vanuit het oude lager onderwijs. Mooie en waardevolle inzichten vanuit het specifieke jonge-kindonderwijs verdwenen naar de achtergrond. Die inzichten: ontwikkelingsgericht werken, spelen en spelend leren, observeren en aansluiten bij wat een kind wil, kan en vraagt. Aanreiken en nieuwsgierigheid ‘aanspreken’, het moment of het toeval gebruiken en als juf of meester meegaan in wat nieuwsgierig maakt. Dat weer hernemen, dat weer ‘opladen’ en met nieuwe inzichten verrijken, dat zal een belangrijke doelstelling van het expertisecentrum zijn. Het centrum wordt later dit jaar met een symposium (online) gepresenteerd.

Voor mij past het bij wat ik na mijn pensionering ook heb opgepakt: bestuurslid van de Janusz Korczak Stichting Nederland. Prachtig om een bijdrage te leveren om op verschillende manieren het gedachtegoed van Korczak en uitwerkingen daarvan over het voetlicht te brengen. Ik zal me met name richten op: hoe kunnen we daarin lerarenopleidingen meenemen?

Die waardevolle inzichten reiken verder. Onderwijs is terechtgekomen in een ‘economisch discours’, waarin prestaties, afrekenen, selectie, input-throughput-output centraal staan. Kinderen worden al snel gedrukt in: ‘ben ik wel goed genoeg, doe ik het goed genoeg’? Daarin wordt een forse aanslag op hun vertrouwen, zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid en ontvankelijkheid gedaan. Ze leren zichzelf en anderen te wantrouwen. En ze horen vandaag de dag dat ze mogelijk ‘achterstanden’ hebben opgelopen en eigenlijk qua ‘rendement’ nu al een verloren generatie zijn.

Bij al deze somberheden zie ik ook een geweldige krachtige beweging van: ‘oude systemen kraken in hun voegen’, ‘tijd voor anders denken en doen’. Dat geldt zeker in het onderwijs. Mede onder invloed van denkers als Martha Nussbaum en Gert Biesta (en al veel eerder Hannah Arendt) zijn en worden heel andere accenten gelegd. De ‘oude garde’ ziet dat overigens als een strijd, waarin oude posities en denkwijzen ‘verdedigd’ moeten worden en waarin we – als we niet oppassen – gierend naar de afgrond afglijden (Beter Onderwijs Nederland, Forum voor Democratie, om maar een paar ‘verdedigers’ te noemen).

Ik zie overigens bij de generatie van mijn kinderen (twintigers en dertigers) wel de effecten van dat oude ‘economische onderwijsdiscours’. Die generatie is in coronatijd depressief vanwege: wat is dit voor leven waarin niets meer kan? Hoezo nieuwsgierig en ontvankelijk: banen staan op het spel, relaties kunnen zich nauwelijks ontwikkelen, woonruimte is er niet, en als mens interacteren: hoe dan? Het is de generatie die zo gefocust is op ‘ben ik wel goed genoeg’, die nu alles beschouwt onder het motto: ‘ik kan niet eens meer goed genoeg worden’…

Juist daarom een krachtig pleidooi voor nieuwe ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid! Het ontstaat, het is er, maar zou de kans moeten krijgen om als een rizoom verder te groeien en vooral op te duiken. En dan kom ik bij ons mooie vak! We hebben als theologen weet van inspirerende bronnen, van ‘sta op’, van telkens troost, van telkens weer terugkerend ‘morgen’ en leven. Ik denk dat – op welke manier en op welke plek dan ook – we (toch een beetje missionair...) die bronnen zichtbaar en hoorbaar moeten maken, dat we aandacht moeten vragen voor wat er juist nu toe doet.

Dat begint met ‘het levensbeschouwelijke en religieuze’ weer ‘terug te brengen’ in de publieke ruimte, door zichtbaar te maken dat waardengeladen denken en doen ‘op straat ligt’, daar thuishoort en niet teruggedrongen moet worden naar: dat is iets voor de privésfeer. Ik zie dat ‘terug in de publieke ruimte’ – vrolijk makend! – ontstaan in onderwijs, en zie tot mijn vreugde dat ook schoorvoetend terugkomen in het politieke debat. En in het debat over zorg, kwaliteit van leven, zorg voor ‘de schepping’. Eigenlijk overal! Maar het is nog wel een ‘broos plantje’, de rizoom is er, maar ‘doorbreken’ is nog een taaie klus.

Op zoek naar de ‘crack in everything’! Ik vind dat zo’n mooie zin van Cohen! Troostvol en vrolijk makend!

Je noemde Andrea Bocelli op de trappen van de Dom in Milaan met zijn Amazing Grace. Gezongen tijdens de eerste heel heftige lockdown in ItaIië. Ik vind dat ook een prachtig voorbeeld van zo’n ‘crack’. Zou ook een beeld bij onze dialoog kunnen zijn! De link: https://youtu.be/bpXwOSHTwsY

Iets minder flarden deze keer, maar wellicht nu te veel over mijn specifieke ‘biotoop’. Ik zie als mooie draden: nieuwe ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid en ‘the crack in everything’. Hoopvol en troostrijk!


4. Willem aan Barbara 12 april 2021

Ik woon aan het Koekoeksplein. Het plein beweegt nu. Voor mijn ogen – as we speak – zie ik zo’n vijftien kinderen spelen en hollen op het plein, er zijn twee tafeltennissers, een groep van acht vrouwen van rond de dertig die vierkantjes lopen en rek- en strekoefeningen doen, duo’s ouderen doen hun avondwandeling in het tanende licht en bij het stenen nijlpaard op de verhoging staat een jongeman met ijsmuts op en in korte broek boksslagen te oefenen, hij springt nu touwtje op het ritme van de muziek in zijn oren. Alleen de kinderen praten met elkaar, de anderen stuiteren in hun cocoons in het rond. Raar, die lichaamscultuur van vooral jongeren, alsof ze zich letterlijk beknot voelen in hun bewegingsvrijheid. Veel van hen wonen in bovenhuizen of in kleine appartementjes van huisjesmelkers. Het is een typisch coronaschouwspel, dit openbare en zichtbare lichaamsvertoon. De vitaliteit van jongeren en ook hun vitalisme staan op het spel, haast is geboden, lijkt het wel. Het hoort bij de coronageneratie die jij beschrijft.

Als pastor heb ik me het laatste jaar veel zorgen gemaakt over de onmogelijkheden van fysiek contact met mensen in verpleeghuizen, ziekenhuizen e.d. Ook speelde de gefnuikte funeraire cultuur me parten. Van een oud-collega en een oom kon ik geen afscheid nemen, ik keek gegeneerd naar een livestream, waarop alleen de voorganger, de begrafenisondernemer en de kist in beeld kwamen en de mij dierbare nabestaanden op de rug bekeken moesten worden. Een derde livestream van een uitvaart, vier maanden geleden, gebruikte twee camera’s – ik was blij met deze toch futiele verbetering. In mijn Driebergse gemeenschap overleden het afgelopen halfjaar vijf mensen, van twee van hen mocht ik de uitvaart (mee)doen, die van een derde gemeentelid komt eraan, binnen enkele weken. Geen van hen is aan corona overleden, dus het virus kan ik de schuld niet geven. Ze waren en zijn op leeftijd, maar de beperkingen bij het afscheid nemen vond ik soms heel wrang. Het gaat niet om de hoeveelheid aanwezigen, ik weet het, maar om al die aandacht afleidende voorzorgsmaatregelen die de focus belemmeren op waar het om gaat wanneer je fysiek afscheid neemt van een dierbare. We hebben, lijkt het wel, ingeteerd op onze humaniteit – jongeren en ouderen – komt dat zomaar terug?

Ontvankelijkheid – nieuwsgierigheid – nieuwe focus - vindingrijkheid. Graag! Dat nemen we mee. Wat hebben we in de theologie nog meer in huis? Troost, hoop, altruïsme. Ik heb gemerkt dat ik de laatste maanden al op verschillende plekken en in verschillende situaties me geraakt heb gevoeld door – schrik niet – zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. Vooral de ‘vraag’ vind ik geweldig: Wat is je enige troost, beide in leven en sterven? En dan begint het antwoord met: Dat ik niet van mezelf ben. Het tweede deel van het ‘antwoord’ luidt dan: maar van Jezus Christus mijn bevrijder enzovoort. Dat leggen we dan later nog wel eens uit… Maar ‘troost’ als de kern van de Bijbelse boodschap, daar kan ik het de laatste tijd heel goed mee vinden: ‘Troost, troost mijn volk’ (Jesaja 40: 1). Dus troost mag voor mij in het rijtje plus dat wij niet van onszelf zijn.

Ik merk onder meer spiritueel ervaren mensen om me heen de behoefte aan verstilling, meditatie, zelfanalyse e.d. Ik doe mijn best, maar heb er toch weinig antenne voor. Ik weet dat je al levend ook goede vrienden met jezelf moet zijn, maar die privébeleving wil bij mij nog slecht lukken. ‘Telkens troost, telkens weer licht, telkens weer leven’, hoor ik bij jou – ik teken ervoor en ervaar het ook zo. Het is opvallend hoe onze traditie én wat we er zelf van gemaakt hebben door te blijven studeren en erover en eruit te spreken ons niet het geloof der vaderen maar wel een herijking van die oude woorden en concepten aan ons eigen leven en onze eigen tijd hebben meegegeven. Troostrijk ook en bemoedigend.

Ik geniet van je beschouwingen over onderwijs. Onze kleinzoon van vier is de ongekroonde koning van de ontvankelijkheid – hij voelt een sfeer, hij kan op zichzelf zijn, maar om met zijn jongere broertje te delen kost hem ook geen moeite en we hoeven het hem niet te vragen, hij doet het uit zichzelf. Maar hij vindt in alles zelf zijn weg en bepeinst het leven op een eigen en originele manier. Als dat maar geen theoloog wordt, denk je dan, doe maar kunstenaar. Ik gun jullie ook zo’n nieuwe fase in je leven, het brengt ons in elk geval veel.

Ken je die scène uit maart 2020: het Limburgs volkslied, gezongen door zingende verpleegkundigen en artsen voor de ramen van de IC van het Zuyderland Ziekenhuis in Geleen: ‘Waar in t bronsgroen eikenhout’. Te zien via de link https://www.tvgids.nl/nieuws/netgemist/kijk-terug-limburgs-volkslied-gezongen-voor-stervende-coronapatint/ De man van 67, die op de IC aan corona lag te sterven, had zich zijn hele leven ingezet voor het Limburgse erfgoed. Het fragment had zomaar kitsch kunnen zijn, maar het was heel puur – en vanwege de dramatische context ook moeilijk om aan te zien. We hebben er heel wat beelden bij gekregen het afgelopen jaar: de zingende en applaudisserende mensen op de balkons van Verona en Madrid, de graven rechtop in Brazilië, we zijn losgerukt uit ons zelfvoldane en luxueuze sfeertje – zou ons dat goed doen? Voor mij nog een open vraag. Open, dus: – that’s how the light comes in.

Ik vond eens in een poesiealbum dat ik ooit op de Vrijmarkt van Koninginnedag kocht een oud Afrikaans versje. Ken je het? Het ontroerde me, het was met mooie tierelantijnen geschreven voor een meisje dat in 1928 was geboren:

‘n Bietje meer glimlach en minder kla
’n Bietje meer gewe en minder vra
’n Bietje meer “ons” en minder “ek”
’n Bietje meer liefde, dat foute bedek
’n Bietje meer bloemen op die levensweg
en minder kransies op die graffies geleg.”

Het evangelie heeft geklonken. Het plein is nu leeg.

5. Barbara aan Willem, 16 april 2021

Onze dialoog via de mail ervaar ik als een prachtig en krachtig voorbeeld van de begrippen die we al schrijvend met elkaar op het spoor kwamen. We spraken over nieuwe of hernieuwde ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid, over ‘there’s a crack in everything, that’s how the light gets in’, over troost, hoop, vindingrijkheid en vrolijkheid.

Die woorden brengen me bij de onopgeefbare kern van ons bestaan: relationeel denken en doen, gerichtheid op de ander, de ander die mij op mijn voeten zet en op een spoor zet, in de woorden van Martin Buber: Ich und Du. Buber ontdekt dat wat we gewoonlijk ‘ik’ noemen, niet meer dan een grammaticaal feit is. Een ‘ik’ op zichzelf bestaat niet, zegt Buber. Een ‘ik’ is betrokken en wordt betrokken. De kern van het leven zit waar die betrokkenheid tot stand komt en is, waar de ik-jij relatie tot stand komt: Ich werdend spreche ich Du.

Als er al een leermoment zit in de coronacrisis (ik spreek liever over wat in zo’n situatie te ontdekken of herontdekken valt), is het dat dat relationele denken en doen troost biedt, vrolijk maakt, je op sporen zet en een beroep doet op ontvankelijkheid en nieuwsgierigheid.

Het haalt je uit verlammende, verstikkende, de-humaniserende ‘ik-gerichtheid’, het zet je op sporen van wat er aan moois is en kan zijn, en het voorkomt dat, zoals jij dat formuleerde, je inteert op humaniteit.

In het begin van onze dialoog noemde ik het begrip nataliteit van Hannah Arendt. Een rijk en ook troostrijk begrip. De mensheid heeft het vermogen om telkens weer een nieuwe start te maken, letterlijk met elk nieuw geboren mens, maar ook figuurlijk door het pad van verlamming en verstikking te verlaten en opnieuw ontvankelijk te worden (voor de ander, het andere en de Ander), door gericht te zijn op de ander. Ik zie onze ‘toevallige’ dialoog als een prachtig voorbeeld daarvan. We herontdekten elkaar en elkaars bestaan, we leerden elkaar weer (her-)kennen in denken en doen. We reikten elkaar duidingen, begrippen, vrolijkheid en troost aan, en leerden van elkaar.

Dat we telkens opnieuw dat vermogen hebben, brengt en onderhoudt levensenergie, doet onze ogen oplichten en zet ons in energiek en optimistisch en open denken en doen.

Natuurlijk, de coronacrisis veroorzaakt telkens mogelijk het tegenovergestelde. We worden gedwongen afstand te houden (tegen onze ‘relationele draad’ in), we ontmoeten elkaar slechts achter ramen en schermen, schoolpleinen zijn leeg, kerken zijn leeg, theaters zijn leeg, en er zijn geen festivals of andere evenementen van ontmoeting. En toch, ook dat tegenovergestelde wordt – hoopvol – ook weer in een nieuw of hernieuwd perspectief geplaatst.

Een voorbeeld: tijdens de ‘eerste’ lockdown, in het prille begin van schrik, mondkapjes dragen en eindeloos op je hoede zijn, overleed mijn tante. Er mocht slechts een selecte groep van zo’n 30 mensen bij haar uitvaart zijn. We rouwden op afstand van elkaar, ieder op zijn of haar eigen stoel, meters van elkaar verwijderd. Geen mogelijkheid om te omhelzen, te troosten, elkaar aan te raken en te bemoedigen. Tante had dat graag anders gezien, een volle kerk of aula, met veel aandacht voor elkaar. Mij was gevraagd ook iets (en vanwege het feit dat mijn tante een blijmoedig gelovig mens was geweest, ook zeer kerkelijk betrokken), vooral iets in gelovige sfeer, te zeggen. Ik las de psalm die ook de rouwkaart sierde, een bekende, psalm 23. Wonderlijk hoe zo’n overbekende tekst ineens diepte kreeg tegen deze vervreemdende achtergrond: de psalmist spreekt over ‘weiden vol groen, wateren van rust, vertroosting, een bereide tafel en een overvolle beker’. En ‘mij achtervolgen slechts goedheid en vriendschap, al de dagen van mijn leven’. Het perspectief op en de zekerheid van het goede leven, van aangeraakt zijn en ontmoeten, ineens klonk dat luidkeels door in die rouw op afstand.

Een tweede voorbeeld, jij wees erop in onze dialogen. Uit de periode dat ItaIië op slot ging en te maken had met enorme aantallen besmettingen en overvolle ziekenhuizen. Andrea Bocelli zong Amazing Grace op de trappen van de Dom in Milaan. Complete verlatenheid om hem heen, geen mens nabij. En toch waren er ervaringen van aangeraakt worden, ontmoeting en vooral hoop, die ontstonden bij het viral gaan van de opname van deze performance.

Een laatste voorbeeld. Bij het schrijven van deze bijdrage dwaalden mijn ogen over mijn boekenkast, op zoek naar een mooie tekst ter inspiratie. Ik bleef hangen bij een boek van M. Colpaert: (2007). Tot waar de beide zeeën samenkomen. Verbeelding, een sleutel tot intercultureel opvoeden. Een prachtig, rijk boek, waarin aandacht voor ‘het ontvouwen van je eigen verhaal’, ‘de queeste naar de ander (aandacht voor Buber en Levinas)’, en bijvoorbeeld ‘een hand naar de hemel, een hand naar de aarde, daartussen de mens’. Ik citeer van de achterflap van het boek: ‘Dit originele en vernieuwende boek maakt duidelijk dat er binnen alle lagen van onderwijs meer aandacht zou moeten gaan naar de ontwikkeling van de verbeelding van leerlingen… Het boek richt zich tot alle leraren en zet hen aan om het mythische en muzische aspect in de vorming niet uit het oog te verliezen. De snel veranderende samenleving heeft er alle baat bij om in de dialoog tussen de bevolkingsgroepen meer ruimte te laten aan intuïtie en vindingrijkheid’. In dit prachtig toevallig hervinden van dit boek klinken ‘onze’ begrippen door!

Ik pakte het boek overigens in eerste instantie uit de boekenkast vanwege de titel. Die titel riep herinneringen en beelden op. Ik ben geweest op de plek waar twee oceanen bijeenkomen: de Atlantische en de Indische Oceaan (bij Cape Agulhas, zuidelijkste punt van Zuid-Afrika). De plek waar je ‘zeeën ziet samenkomen maar niet vermengen’. Een prachtig metaforische beeld bij wat het ‘relationele denken en doen’ in feite is: de queeste naar of het bewegen richting de ander, niet samenvallen met die ander, maar er zijn en kunnen voortbewegen, omdat die ander er is’.

De titeltekst is overigens ontleend aan de Koran (18 Soera Al-Kahf, v. 60): ‘Toen zei Moesa tot zijn knecht: “Ik zal niet ophouden tot ik de plaats bereik waar de beide zeeën samenkomen, al zou ik tijden moeten doorgaan”.’

Het brengt me bij een afronding van mijn bijdrage. We kwamen mooie inspirerende begrippen op het spoor. We vonden voorbeelden bij die begrippen of vonden begrippen bij beelden en intuïties. Dat ontstond in een dialoog waarin we elkaar weer ontmoetten en raakten. Het is de moeite waard om dat telkens opnieuw te herhalen of op te pakken. Het zet ons op sporen van ontvankelijkheid, nieuwsgierigheid, troost, hoop, vindingrijkheid en vrolijkheid.

6. Willem aan Barbara, 19 april 2021

Sartre was de filosoof van de vrijheid. Die moet bevochten worden, is nooit vanzelfsprekend en soms ronduit beangstigend, want we vrezen altijd dat anderen die vrijheid inperken. Uit zijn bekendste toneelstuk, Huis clos uit 1944, stamt de beroemde zin: L’enfer c’est les autres: De hel, dat zijn de anderen, of misschien nog preciezer: De hel, dat is: de anderen. Dat wordt vaak uitgelegd als filosofisch pessimisme, maar volgens mij ligt het niet zo ver weg van de gedachten die door Buber en Levinas zijn ontwikkeld (Sartre kende het werk van Buber goed). De vrijheid in een relatie van twee mensen lijkt voor Sartre het hoogste goed, mits die vrijheid voor beide partners zelfontplooiing betekent en een werkelijke open relatie mogelijk maakt en that’s how the light comes in. Dat merkwaardige – ook in het Frans – meervoud ‘de anderen’ is in Huis clos gethematiseerd in het gegeven dat er drie hoofdpersonen zijn. Drie – dat is een merkwaardig getal, dat weten we ook uit de theologie. Met drie personen, drie meningen, drie posities zijn geen evenwichtige coalities mogelijk en ook ‘drie-naast-elkaar’ in volmaakt evenwicht is onmogelijk. Altijd ligt op de loer dat twee elkaar vinden en zich tegenover de derde plaatsen en die veroordelen of zijn/haar vrijheid inperken. Dat is dus altijd ‘les autres’ tegen één. Daarvoor heeft Sartre als metafoor ‘de hel’ bedacht, niet bijster origineel, maar hij was geen groot theoloog.

Ongeveer in dezelfde tijd werkte George Orwell aan zijn roman 1984, waarin ditzelfde gegeven wordt uitvergroot naar het wereldtoneel: drie rijken bevolken de aarde, zijn in een permanente oorlog verwikkeld met elkaar en altijd staan er twee rijken in coalitie tegenover het derde. Maar de samenstelling van die coalitie wisselt telkens, en bij elke wisseling van de macht wist de propaganda de geschiedenis: het nieuwe heden was er altijd.

Ik denk dat ontvankelijkheid ons gemeenschappelijke woord is, waar we tal van bijwoorden bij gevonden hebben. Ik ken het denken van Hannah Arendt helaas slecht – eigenlijk alleen haar zeer omstreden boek over de ‘banaliteit van het kwaad’ n.a.v. het proces-Eichmann – maar die ‘nataliteit’, zoals jij die verwoordt, kan ik volgen. Nataliteit is taalkundig verwant met naïviteit en betekent dus bijna hetzelfde als (kinderlijke) ontvankelijkheid, open staan voor toeval en ontmoeting. Je had het over het vermogen van de mens telkens weer een nieuwe start te maken, letterlijk in de geboorte van een nieuw mens. Geboorte = wedergeboorte, en dat bedoel ik niet in de sfeer van reïncarnatie, maar eerder nieuwtestamentisch. Ken je het verhaaltje van de twee feuten? Wellicht ten overvloede: het gaat over een tweeling die ronddobbert in het vruchtwater van hun moeder. Ze zijn met elkaar in gesprek, al dobberend. De een is een twijfelaar, een zoeker, de ander is een betweter en een zekerweter. Zegt de twijfelaar tegen de zekerweter: ‘Geloof jij in een leven na dit leven?’ Zegt de ander: ‘Natuurlijk niet, waar kunnen we het beter hebben dan hier? Dit blijft altijd zo doorgaan.’ De twijfelaar twijfelt en vraagt: ‘Maar als het nou wél zo is, een leven na dit leven, hoe zou dat er dan uitzien? Geloof je dan ook niet in… Geboorte’? ‘Welnee’, zegt de zekerweter, ‘kijk ons hier ronddobberen aan onze navelstrengen, we hebben ons natje en ons droogje, vooral ons natje, kijk die navelstreng eens, wat zouden we zonder moeten? Nee hoor, niets meer te wensen. Zo zal het altijd blijven.’ Het blijft even stil in de baarmoeder. Zegt de twijfelaar aarzelend: ‘Geloof je dan ook niet in… Moeder’? ‘Nou moet je toch echt ophouden’, zegt de ander. Lariekoek, sprookjes, legenden, bijgeloof, fake truth. Wees toch eens tevreden!’ Zegt de twijfelaar: ‘Maar hoor je dan niet dat zachte ruisen om ons heen? Zou dat niet… Moeder kunnen zijn?’ Dan blijft het stil, met een zacht geruis op de achtergrond. En zo dobberen ze voort. En als de zekerweter gelijk heeft gekregen, dobberen ze nu nog.

Heerlijk naïef, maar dan als geuzenwoord, deze geboortemetafoor. Ik legde vorige maand het paasevangelie uit als een wedergeboorte, zoals het geboorteverhaal van Jezus op de keper beschouwd ook een wedergeboorte is. Ik gebruikte het beeld van Michelangelo – en volgens mij heeft Colpaert dat beeld ook in zijn hoofd: “Het beroemde fresco van Michelangelo van de schepping van de mens door God, hoog in de zoldering van de Sixtijnse kapel in Vaticaanstad, toont twee handen die elkaar naderen: de leven gevende rechterhand van God, de leven ontvangende linkerhand van Adam, de eerste mens. De twee vingers raken elkaar niet aan. Er zit ruimte tussen die twee vingers, een kleine streep licht. Voor mij staat dat streepje licht, die crack, dat lichtgevende vacuüm tussen de twee vingers van de schepping, voor het lege graf, het lege midden van het Paasevangelie, het verhaal van de herschepping.” Met andere woorden: that’s how the light comes in, of in de lijn met het voorgaande: that’s how life comes in.

Dat beeld zou te gebruiken zijn. Maar ik denk ook nog aan een ander beeld. Het ‘gebed zonder end’ noemden we de drie maanden durende non-stop viering in de Haagse Bethelkapel ter bescherming van het met uitzetting bedreigde Armeense gezin Tamrazyan (oktober 2018-januari 2019). Ik mocht daaraan meedoen, mee organiseren ook en maakte er na afloop samen met Derk Stegeman een boekje over: Dat wonderlijke kerkasiel – de non-stop viering in de Haagse Bethelkapel (2020).

In de viering en in dat boekje staat een ‘beeld’ centraal, het iconisch geworden kunstwerk van de Madonna del Mare Nostrum van Hansa Versteeg. Het schilderij toont een moeder met kind, gehuld in beschermende folie, vluchtelingen die zojuist uit de Middellandse Zee zijn gered. Theoloog Erik Borgman maakte daar een meditatie bij: ‘De madonna wacht af’, die in het boekje is opgenomen. Daaruit kies ik enkele zinnen die passen bij onze dialoog: “De vrouw kijkt langs je heen, als kijker. Niet heel bot, maar wel: ze plaatst je als het ware in een wijder blikveld. Zij ziet je wel, maar je bent voor haar niet het centrum van de aandacht. Je bent een vertegenwoordiger van de wereld waarvan zij nu is, die nu ook haar wereld is. Het kind kijkt strak naar jou, als toeschouwer. Niet met de smekende blik van de hedendaagse goede-doelenporno, maar met de blik die alleen jonge kinderen lijken te hebben: pure afwachtende, receptieve waarneming. Openheid voor wat er zal blijken te gebeuren. De afwachtendheid lijkt niet helemaal zonder spanning: de grote teen van het ene zichtbare blote voetje staat gespannen gestrekt, iets naar boven, terwijl de andere tenen van het linkervoetje ontspannen naar beneden wijzen. Maar het is een pure vraag: wie zal jij voor mij blijken te zijn? – met de onontkoombare boodschap dat je daarmee over jezelf beslist. Het is de zakelijkheid van Matteüs 25: wat je aan de minste doet, beslist niet over het lot van de minste, maar over jouw lot.”

That’s how life gets in – naïeve ontvankelijkheid en ontmoeting, want de hemel: dat is de ander. ‘n Bietje meer “ons” en minder “ek”.

Dankjewel voor deze geboden, ons toegevallen kans voor een uitwisseling over wat wezenlijk is – voor ons, voor anderen – in deze beperkte tijd, maar dat ook zal zijn in de olām haba’, de tijd die op ons toekomt. Fijn ook om elkaar zo weer te ‘ontmoeten’.

Epiloog

Wij kwamen elkaar weer in de virtuele wereld tegen, daartoe uitgenodigd door de altijd leer- en nieuwsgierige mensen van het Leerhuis Online van de Stichting PaRDeS, mensen die vanuit hun joodse en christelijke lernen geen genoegen nemen met een pessimistisch beeld van mens en wereld en de bezielde hoop levend houden. Wij danken deze mensen voor de ons geboden kans om elkaar weer eens inhoudelijk tegen te komen en te herontdekken. Daarbij viel het ons op dat de basis die wij in onze vriendschap en gezamenlijke studie bijna 50 jaar geleden begonnen te leggen ons niet begeven heeft, hoe ver onze wegen in werk en privéleven ook af en toe uiteen zijn gegaan. Daarom is de samenwerking waar deze tekst een weerslag van is ook een ode aan de sancta theologia.

Barbara de Kort
Willem van der Meiden april 2021

©2021 Stichting PaRDeS | Privacy | Disclaimer
envelopephoneclockmagnifiercrossmenuarrow-right