
Het jodendom is gebaseerd op de Tora, de leer, vastgelegd in de vijf boeken van Mozes. Wat daar op schrift is gesteld - voor orthodoxen is dat het letterlijke woord van de Allerhoogste - gaat vergezeld van de zogenaamde mondelinge leer die is opgeschreven in de Talmoed. De Toratekst (de schriftelijke leer) plus mondelinge leer vormen als het ware één geheel. Doch dan zijn we er nog niet, want in de Talmoed staan allerlei uiteenlopende commentaren over wat bedoeld wordt in de mondelinge leer.
Voor buitenstaanders lijkt het alsof in het jodendom alles in steen is gebeiteld, maar bij nader inzien valt daar wel wat op af te dingen. Er zijn diverse passages in de Tora die later in de Tora zélf zijn veranderd op basis van wat je voortschrijdend inzicht kunt noemen. Dus zo onveranderlijk is een eerder gegeven wetsregel niet. Al is het waar dat de Toratekst na definitieve afronding als onveranderlijk wordt beschouwd.
Er zijn minstens vijf passages in de Tora die zijn bijgesteld omdat er sprake was van een onduidelijkheid of omdat het volk ontevreden was met de wetsregel.
Even een zijstapje voordat hierna een voorbeeld wordt gegeven van een belangrijke wijziging van een eerder door God gegeven wetsregel, omdat men daarover ontevreden was. De gehele Toratekst is verdeeld in 54 stukken. Zo’n deel wordt een sidra genoemd, meervoud sidrot. Dat is gedaan om elke week in de synagoge een opvolgend deel uit de Tora te kunnen voorlezen. Op Simchat Tora wordt begonnen met de openingstekst (Genesis/Bereesjiet) die over de schepping gaat. En gedurende de daaropvolgende jaarperiode wordt zo alles gelezen. Soms worden stukken samengevoegd om het passend te maken, want 54 stukken zijn te veel. Zeker in gewone Joodse jaren die korter zijn dan Joodse schrikkeljaren, want dan komt er een extra maand bij. Iedere sidra heeft een eigen naam, afgeleid van het beginwoord van de tekst voor die week.
Welnu, in sidra Pinchas (voorkomend in Numeri 27 of in het Hebreeuws Bemidbar, wat “In een woestijn” betekent) komt een befaamde passage voor waarin de dochters van een overleden man, genaamd Tselofchad, protesteren tegen de regel dat dochters niet kunnen erven. Hun vader had namelijk geen zonen en daarom zou de grond overgaan naar een mannelijke erfgenaam elders in de familie. Als Mozes de kwestie voorlegt aan de Allerhoogste beslist God gewoon dat de dochters gelijk hebben. En de vrouwvriendelijke erfregel wordt daarmee algemeen geldend verklaard.
Later wordt deze regel bijgesteld, want als een dochter van een overledene trouwt met iemand van een andere stam, dan zou de door de dochter geërfde grond in bezit komen van die andere stam. Daartegen wordt geprotesteerd door stamoudsten die de grond binnen de eigen stam willen houden. Die grond is namelijk eerder netjes verdeeld en het is niet de bedoeling om aan die eerdere toewijzing iets te veranderen.
Wat nu? Als je de tekst leest in sidra Masee (Numeri/Bemidbar 36) dan houdt het in dat een dochter die erft, omdat er geen mannelijke erfgenamen in het gezin zijn, slechts met een lid van de eigen stam mag trouwen. Zo blijft het bezit binnen de stam. Pech voor die dochter. Tenminste als ze wil dat zij de grond erft. Als ze dat niet belangrijk vindt, dan kan ze trouwen met een lid uit een andere stam en wordt dan onterft. Dochters die geen erfgenaam worden omdat er broers in het spel zijn, kunnen uiteraard sowieso buiten hun stam trouwen.
In liberale commentaren op de onderhavige Torateksten wordt erop gewezen dat door God gegeven regels dus voor verandering vatbaar zijn. Zij het alleen door de Allerhoogste zelf, als je de Tora als heilig en onveranderlijk ziet. Niettemin zijn de regels dus niet per se perfect, niet in één keer tenminste. De voorgestelde veranderingen op een eerder door Hem verstrekte regel vond de Allerhoogste geen enkel probleem. De redenen om bij te stellen waren namelijk redelijk.
Bron: https://levisson.nl/wp-content/uploads/2024/08/Matot-Masee-5784.pdf